zondag 2 februari 2020

Sam J. Lundwall – Wat is science fiction? (MSF 69)


In dit stadium leek het alsof de Meulenhoff-serie een zachte dood aan het sterven was. Na een ietwat matte verhalenbundel, een heruitgave van Vance’s vierluik en de heruitgave van drie eerder verschenen romans in de vorm van een omnibus, werd de lezer nu vergast op dit non-fiction boek. Hoe kon het ooit nog goed komen?

De Zweed Sam J. Lundwall is zelf ook sciencefictionschrijver, al had (en heb) ik eerlijk gezegd nooit iets van hem gelezen. Ik geef toe dat het interessant kan zijn om te zien wat een professional over zijn vak te zeggen heeft, maar oh, wat een teleurstelling is in dat opzicht dit boek. Het kent een permanent aangehouden toon van minzame ironie en badinerend dedain. Als er iets is waar ik niet van houd in mijn non-fiction, is het wel badinerend dedain. Zeker niet in de slordige, bijna onverschillige vertaling van Warner Flamen.

Als eerste worden de Utopieën behandeld, vanaf Plato (“die ouwe Nazi”) tot de dystopieën (die heetten in 1970 nog “anti-utopieën) van de twintigste eeuw. Het onderwerp boeit Lundwall zeer: hij blijft er lang bij stilstaan. Wat ik elders al eens schreef over wat ik toen noemde de geschiedenis van de toekomst, geldt hier natuurlijk ook. De toekomst, beschreven in 1920 en beoordeeld door Lundwall in 1970, vindt veelal plaats tussen 2020 en 2045. Veel van het voorspelde blijkt wel, of juist faliekant niet te kloppen. Maar ook veel van wat Lundwall over de vroegere toekomstvoorspellingen opmerkt, is tegenwoordig even zo goed volledig anders gegaan. Zo gaat dat.

Als tweede behandelt Lundwall de zogeheten Fantasy. Ook hier spot hij weer uitbundig, deze keer onder andere met historici die de stroming willen laten beginnen in de grijze oudheid. In een op zich wel redelijk onderbouwd verhaal analyseert hij de uitgangspunten van de fantasy tegenover die van de sciencefiction en als hij niet voortdurend zelf meesmuilend in het beeld zou gaan staan, zou ik vermoedelijk vaker instemmend geknikt hebben. Via de gothic romance van Walpole, Clara Reeve, Matthew Lewis en Mary Shelley komt hij bij de horrorverhalen van Poe en Lovecraft terecht. Weer is hij bijna binair in zijn oordelen: of de schrijvers zijn geweldig (Poe natuurlijk, maar ook Tove Jansson en haar Moem-strips) of vreselijk slecht. Jammer, dit. Lundwall heeft naar het schijnt een attitude problem.
Space Opera wordt door Lundwall tot de Fantasy gerekend. De meeste Space Opera heeft geen enkele literaire waarde: een conclusie waar Lundwall gretig gewag van doet. Toch houdt hij ervan en mensen die het genre afwijzen snappen er niets van.

Vervolgens wordt de vrouw in de sciencefiction behandeld. Tussen al het gesmaal en gemeesmuil door, maakt Lundwall een aantal krachtige punten. Het was in 1970 inderdaad schandalig hoezeer de vrouw in de sciencefiction niet meer was dan een bevallig decorstuk. Er waren op dat moment weinig schrijvers die haar een volwaardige rol toebedachten. Zelfs de vrouwelijke scienfictionschrijvers zelf zaten vaak vast in die reactionaire denkpatronen. Ik denk dat het allemaal sedert het verschijnen van dit boek wel een stuk beter geworden is, en er zijn zelfs feministische scienfictionschrijfsters opgestaan, maar ik denk dat in het merendeel van wat er heden ten dage wordt geproduceerd, de vrouw op zijn best tevreden moet zijn met een min of meer neutrale rol. Wat ik wel vreemd vind is dat hij met name The Moon is a Harsh Mistress van Heinlein noemt als zijnde zeer vrouwonvriendelijk. Ik zie dat niet: juist in deze roman komen een paar zeer sterke en dominante vrouwen voor.
In één adem gaat Lundwall in hetzelfde hoofdstuk door naar de behandeling van robots in sciencefiction. Een automatische stap die me ook wel iets lijkt te zeggen over Lundwall zelf!
Naast de vrouwen (en de vrijwel niet bestaande seks) en de robots (waartoe ook cyborgs en androids gerekend worden) komen ten slotte de buitenaardse monsters aan bod. Die drie! In één hoofdstuk!
Dankzij Isaac Asimov en zijn wetten van de robotica, worden de stalen mannen en vrouwen doorgaans nog het minst denigrerend behandeld, stelt hij vast.

Sam J. Lundwall
In het volgende hoofdstuk, over sciencefictionstrips, -tv-series en -films gaat Lundwall helemaal los. Zijn snobistische gehoon kent geen limiet meer en alle superhelden zijn zonder uitzondering “zwakzinnig, of zelfs imbeciel”. Als je alle snedige opmerkingen van de auteur buiten beschouwing laat, blijft van dit hoofdstuk niets anders over dan een lijst van namen, die ik dan maar voor kennisgeving aanneem.

De volgende hoofdstukken, over tijdschriften, prijzen en fancultuur, recapituleren weer een heleboel wat we al eerder gelezen hebben en worden dorre opsommingen van namen en data.

Het laatste hoofdstuk handelt over de toekomst van het genre, die zich bij Lundwall beperkt tot wat hij new wave noemt: een subgenre binnen de sciencefiction met vooral veel aandacht voor de niet altijd plezierige binnenste wereld van de mens. Licht surrealistisch, licht psychotisch, veel Angst, veel dromen. Op het moment van publicatie van dit boek was die stroming trouwens eigenlijk al weer over haar hoogtepunt heen. Hoewel hij geen puritein beweert te zijn en uit een land komt dat een gezonde visie op seks heeft, hekelt Lundwall het vele gebruik van vulgaire taal bij de new wave.

Warner Flamen rondt het geheel af met een nogal deprimerend essay over de actuele stand van zaken in Nederland.

Een boek als dit is wel interessant vanwege het tijdstip van verschijning: precies op een scheidslijn tussen de “ouderwetse” sciencefiction van voor 1970 en de aanzienlijk modernere van er na. Lundwall hekelde de mentaliteit van de oude, niet wetende dat zijn smeekbeden om een moderne, volwassen vorm van sciencefiction op dat moment al hier en daar verhoord werd, zij het niet in de vorm van de new wave.
Schrijvers als Greg Bear, Gregory Benfort, Stephen Baxter, David Brin of Iain M. Banks, maar ook schrijvers wier achternaam niet met een B begint, zoals Alastair Reynolds, Terry Pratchett en Douglas Adams stonden op het punt om naam te maken.
Dit boek is wel heel erg door een Zweed geschreven. Men zou licht de indruk kunnen krijgen dat er slechts drie sciencefictionlanden zijn die er toe doen: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zweden. Een beetje redactiewerk zou hier wonderen hebben verricht.
Verder is Lundwalls kennis van de wereldliteratuur op het eerste gezicht nogal eenzijdig. Om de haverklap komt de Franse schrijver Alfred Jarry om de hoek kijken, maar veel verder dan deze, toegegeven buitengewoon vreemde en interessante gast, gaat het niet. Geen Lautreamont of Roussell, om in dezelfde sfeer te blijven, en verbazend weinig andere twintigste-eeuwse surrealisten komen aan bod. Enfin, je kunt ook niet alles hebben.
Ik vond het een beetje mager boek, dat smeekt om een robuuste opvolger.

maandag 27 januari 2020

Supernova! (MSF 68)


Dit deel is een omnibus. De drie romans zijn eerder in de reeks verschenen als delen en ik heb ze dus al eerder besproken.
Zie aldaar.

dinsdag 21 januari 2020

Jack Vance - Tschai, de waanzinnige planeet (MSF 67)



Deze in eerste instantie als paperback uitgegeven omnibus bevatte de vier delen Een stad vol Chasch, Onder de Wankh, De Dirdir en De Pnume (M=SF 16, 25, 41 en 48). Ik heb ze alle vier al besproken dus ik ga nu hier niet nogmaals vertellen wat ik ervan vond. Wel heb ik een aardige anekdote.
In 1979 zwierf ik als langzaam sjezende student neerlandistiek graag door de Amsterdamse binnenstad. In mijn vaste route van boeken- en platenwinkels lag ook de statige Bijenkorf aan het Rokin. Ik bezocht er uitsluitend de vierde verdieping met boeken en platen, alsook de plekken waar de jaarlijkse uitverkoop gehouden werd.
De boekenafdeling was in die tijd een uitgebreid terrein, met vele onderwerpseilanden en brede doorloopjes.  Ergens in het midden, aan een grote tafel zat een klein blok beton van een man - even breed als hoog. Ik herkende hem direct, niet alleen van de foto’s maar ook natuurlijk aan de boeken die om hem heen opgestapeld waren. Zijn kop was verweerd en hij was erg oud. Dat ik op het moment van schrijven ouder ben dan hij toen was, doet me die paar haren die ik nog overheb recht omhoog staan.
Verwachtingsvol staarde hij de lege zaal in. Ik had het gevoel de enige bezoeker op de hele verdieping te zijn. Maar tja, wie gaat er nu in vredesnaam een signeersessie houden op zomaar een dinsdagmiddag?
Met een knikje passeerde ik de schrijver en ik liep door naar de sciencefictionkast. Want ik had meteen besloten welk boek ik door hem gesigneerd wilde hebben, en dat lag niet op zijn tafel. De in 1978 uitgekomen 3e druk van deze Meulenhoff-omnibus was een kloeke gebonden uitgave met kleurig stofomslag en deze moest het worden, ook al kostte hij 29,95.
Omdat het niet erg liep, bleef ik zo’n beetje hangen en maakte een praatje met de maestro. Ik merkte iets op over dat het niet zo vreselijk druk was. Vance haalde zijn schouders op. ‘Well, ya know. That’s how it is.’ Hij was wel heel blij met al het werk dat Meulenhoff voor hem deed, waardoor hij zo populair geworden was in Nederland. Een lichtelijk cynische grijns. Na mijn ‘Good luck’ ging ik mijns weegs, het boek veilig in mijn schoudertas.
To Robert, Jack Vance, had de levende legende op het titelblad geschreven. Ik heb het boek nog steeds. Ik heb het een paar jaar geleden mijn zoon te lezen gegeven en hij was verbluft. ‘Dit…’ stamelde hij, ‘Dit is geniaal!’


maandag 20 januari 2020

Alfa Een (MSF 66)


Weer een verhalenbundel, deze keer met werk van zestien verschillende auteurs, gekozen en vertaald door Warner Flamen. Het merendeel verscheen in de zestiger jaren en moet dus wat moderner zijn dan wat we vaak in deze reeks hebben aangetroffen. Het zal mij benieuwen!

James H. Schmitz - Ecologisch evenwicht (Balanced Ecology, 1965). Een intelligent symbiotisch ecosysteem weet zichzelf en twee kinderen te beschermen tegen de boeven.

William Tenn - Project Brooklyn (Brooklyn project, 1948). Een topgeheim tijdreisproject met een voorspelbare twist aan het eind. Ooit ook (en dan heel economisch middels verhaaltjes van één bladzijde) door Fredric Brown uitgewerkt.

Philip K. Dick - Autofab (Autofac, 1955). In een post-apocalyptische maatschappij is de mensheid tegen haar zin afhankelijk van een volkomen geautomatiseerd controle-, zorg- en productieproces. Het verhaal beschrijft een ontsnappingspoging daaraan. Maar de Fabriek laat zich niet zo makkelijk verslaan en blijkt zich voort te planten als een besmetting.

Alfred Bester - De verdwijntruc (Dissappearing act, 1953)
Een leuk anti-oorlogsverhaal over een groep gewonden die ten gevolge van stralingsletsel het vermogen krijgen om zich te verplaatsen naar parallelle plaatsen en verledens. Lekker kort en to the point.

Larry Niven - Tweerichtingsverkeer (Wrong-way street, 1965). Larry Niven is niet eens in staat om een slecht sciencefictionverhaal te schrijven, maar dit is beslist zijn sterkste niet. Het is een jeugdwerk. Een verlaten ruimteschip blijkt als voornaamste voortstuwingssysteem een tijdmachine te hebben. Mike Capoferri, een onderzoeker, experimenteert met het apparaat met funeste gevolgen. Hij reist miljarden jaren naar het verleden en de toekomst, vernietigt en passant de maan en komt uiteindelijk de wezens tegen die het schip gebouwd hebben.

R. A. Lafferty - Dit grandioze karkas (The grand carcas, 1968). Een geestig sprookje. Een vampirische superrobot wordt als wraakactie doorgegeven aan een volgende aartsvijand in een lange reeks.

Algis Budrys - Het einde van de zomer (The end of summer, 1954). Een nogal ingewikkeld verhaal om na te vertellen. Langzamerhand wordt het duidelijk dat we in een wereld leven waarin iedereen de leeftijd houdt die men had toen een bepaalde machine werd aangezet. Tienduizend jaar zijn verstreken: de mensen vertrouwen volkomen op machines om hun herinneringen te bewaren, want het regeneratieproces houdt ook in dat iedere beschadigde hersencel dagelijks wordt vernieuwd. En herinneringen zijn beschadigingen.
Eén vreemde vertaalcapriool die ik niet snap. De Engelse idiomatische uitdrukking six of one, half a dozen of the other heeft Flamen letterlijk vertaald: “zes van de een en een half dozijn van de ander”, terwijl de enig juiste, idiomatische vertaling natuurlijk “lood om oud ijzer” zou moeten zijn.

Jack Vance - Groene magie (Green magic, 1963) is een kort verhaal over een man die, net als zijn oudoom driekwart eeuw voor hem, de groene magie leert. Hij absorbeert de schoonheid van de natuur, maar blijft zelf een pover magiër. Dus keert hij, onsterfelijk en eeuwig knap, terug naar zijn oude leven. Hij stoort zich aan alles omdat het niet volmaakt is: eten, seks, cultuur.  Hij verveelt zich een ongeluk. Net als zijn oudoom voorheen…

Roger Zelazny - Voor een ademtocht talm ik... (For a breath I tarry, 1966). Een lange fable over een computer die zo gefascineerd geraakt is door de reeds lang geleden uitgestorven mensen dat hij er zelf een wil worden. Uiteindelijk lukt hem dat met behulp van een paar nog levende cellen, gevonden in het poolijs.

J. G. Ballard - De tuin des tijds (The garden of time, 1962) was een niemendalletje over een oud adellijk domein dat zich alleen maar teweer kan stellen tegen het volk en destructie door een tuin vol tijdsbloemen. Als de laatste bloem geplukt is, neemt de tijd het over en vervalt het huis en zijn bewoners…
Ballard gebruikt graag de present participle. Al op de middelbare school waarschuwde mevrouw Kist ons om zoiets bij vertaling nooit als een tegenwoordig deelwoord op te lossen. Wat doet Flamen? Uiteraard: “dit ziende”, “zijn tas oppakkend” etc. Soms wel vijf per bladzijde. Zeer irritant.

Frederik Pohl - Doelwit een (Target one, 1955). Een alternatieve-geschiedenisverhaaltje. Door middel van K-mesonen is het mogelijk invloed uit te oefenen op het verleden. Na de allesvernietigende kernoorlog besluiten twee wetenschapslui de aanstichter van de bom, Albert Einstein te vermoorden. Dat lukt en de kernoorlog heeft nooit plaatsgevonden. Of dat nu zo’n zegen blijkt te zijn… Een populair thema, bijvoorbeeld ook ooit  uitgewerkt door Stephen Fry in zijn roman Making History.

Keith Laumer - In de rij (In the queue, 1970). De eeuwige rij. Na jaren langzaam opschuiven zijn we eindelijk bij het loket. Als alles agehandeld is kunnen we gaan waar we willen. Wat doen we? We sluiten weer achteraan aan want we weten niet beter.

Fritz Leiber - Schaduwschip (Ship of shadows, 1969). Een bizar en chaotisch verhaal, dat als een opzichtige en luidruchtige hobbelkar over bergen en door passen boldert. Vrij snel viel ik van de kar af en zag het gedruis al snel voorbij de volgende bocht verdwijnen. Ik heb het met andere woorden niet uitgelezen.

H. B. Hickey - Weg zijn de lupo (Gone are the lupo, 1970). Dit was het eerste verhaal in twintig jaar van de auteur (1916-2016). Het is geschreven vanuit het perspectief van de "alien". In een vreemd, gekunsteld taaltje vertelt hij over de hoogmoed en wreedheid van menselijke kolonisten op zijn planeet. Een typisch verhaal uit die rare tijd van drugs en experimenten en pop-art.

A. E. Van Vogt - Herrijzenis (Resurrection, 1948). Een leuk gegeven, dat een betere schrijver verdiend heeft. Buitenaardsen (typisch veertiger jaren wezens met tentakels) komen in hun veroveringsdrang op een door de natuur verwoeste aarde. Ze brengen een bewoner tot leven en die blijkt in alle opzichten superieur te zijn en in zijn eentje de hele invasie af te kunnen wenden. Hoewel niet met name genoemd, heeft de mens zijn superioriteit te danken aan wat Van Vogts handelsmerk geworden is: de filosofie van Nul-A.

Brian W. Aldiss - Weer een kleine jongen (Another little boy, 1973). Een decadente generatie in de toekomst, hedonistisch en op seks en genot gericht, besluit de atoombom op Hiroshima een eeuw later te vieren door een waterstofbom op dezelfde stad te laten vallen. Een vreemd, hippie-achtig verhaal.

Ik vraag me af of de samensteller van een bundel als deze zich ook nog bezig heeft gehouden met de opbouw. Ik denk het bijna niet: ik kan geen coherente ontwikkeling in de verhalen ontdekken, noch qua kleur, noch qua stemming. Het is geen boek geworden met een over de verhalen heen getrokken spanningsboog. Ik heb geen idee of ikzelf daar wel in geslaagd zou zijn.