Dit eerste deeltje uit de de
Deathworld serie, oorspronkelijk in 1960 verschenen bij Bantam in New York en
in 1967 in matig Nederlands (een paar Tante Betjes, een zeugmaatje of twee en hier
en daar “een meisje die”…) vertaald door Miefje Schermer, was in mijn
herinnering het eerste echte vrolijke Amsterdam-West-essefje. Een vrij
oppervlakkig avonturenboek met in de hoofd- en heldenrol een intergalactische
schavuit die steeds meer idealistische trekjes begon te krijgen. Ik las het
achtenveertig jaar geleden al even snel uit als nu. Het verhaal rolt lekker
voort. Ik kan me herinneren dat Harry Harrison mij in de zeventiger jaren eigenlijk
niet literair genoeg was, het mocht van mij toen (ernstig en zestien) allemaal wel
wat ambitieuzer. Daar heb ik vijfenveertig jaar later aanzienlijk minder last
van!
De premisse van de roman is niet
al te ingewikkeld: een hele planeet, flora zowel als fauna, richt zich volledig
op de bestrijding van de menselijke kolonisten. Daar zit wat achter, uiteraard.
Beroepsgokker Jason DinAlt onderzoekt de situatie en komt tot de ontdekking dat
alle vijandelijkheden geregisseerd, of preciezer nog: georkestreerd lijken te
zijn. Het hele leven op de planeet blijkt een soort telepathische symbiose te
zijn, die de kolonisten slechts opvat als de zoveelste natuurramp waartegen het
zich teweer moet stellen. Sommige natuurrampen moet je ontvluchten, andere
juist bevechten. Geholpen door een hoge radioactiviteit (die blijkbaar voor de
kolonisten weinig gevaar oplevert) muteert het planetaire leven, flora en fauna,
in razend tempo totdat het in extreme mate aangepast is aan het enige doel: de
indringers doden. Ieder grassprietje, ieder motje, iedere plantenwortel is
dodelijk geworden.
 |
Harry Harrison |
Met hulp van een groep
verschoppelingen, de Vreters, die buiten de belegerde stad wonen en wel in een
soort harmonie met de natuur leven, besluit DinAlt de kolonisten te dwingen hun
levensstijl en houding ten opzichte van de autochtone flora en fauna aan te
passen. Waar zou de sciencefiction trouwens zijn zonder verschoppelingen? De
kolonisten van Pyrrus zien de realiteit onder ogen en het boek eindigt met hun
heilige voornemen om in harmonie met de omgeving te gaan leven, om zich niet
langer als een natuurramp te gaan gedragen.
Ondertussen is er gevochten en
gedood, neergestort, genocide gepleegd, om miljarden gedobbeld, seks gehad,
gelachen, gejankt, woedend gebruld en beteuterd ongelijk bekend. En dat zonder
dat je ook maar een moment het gevoel had, zoals in eerdere deeltjes van de
serie wel, dat de schrijver haast had! Dat vind ik knap.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten