Posts tonen met het label Theodore Sturgeon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theodore Sturgeon. Alle posts tonen

woensdag 18 december 2019

Theodore Sturgeon – Xanadu (MSF 65)


Deze verhalenbundel, samengesteld door Warner Flamen en nu en dan redelijk vertaald door Mieke (M. Meuldrager-Ezelin) is na Venus Plus X alweer het tweede boek van Sturgeon dat in de reeks verscheen. De dikke bundel met dertien verhalen van deze zorgelijke en humanistische schrijver verscheen in 1973. Ik werd er niet wild enthousiast van.

Het eerste verhaal, Xanadu (The skills of Xanadu, Galaxy Magazine 1956), is een leuke, ietwat standaard omkering: een ogenschijnlijk weerloos volk, dat dreigt onder de voet gelopen te worden door  de Enige Autoriteit, blijkt via hun “niet dode” kleding met elkaar in een symbiose te leven, waardoor ze superieur blijken te zijn aan de veroveraar. Uiteindelijk veroveren zij hun, natuurlijk.

Het gedenkteken (Memorial. Astounding SF 1946): een flinterdun verhaaltje over een atoomgeleerde die met één welgemikte explosie de mensheid voorgoed van oorlog af wil schrikken, en in plaats daarvan de allesvernietigende laatste oorlog juist veroorzaakt. Het enige belangwekkende aan dit verhaaltje is de datum van publicatie.

De Wessenflinkel (Shottle Bop. Unknown, 1941) begint als een Bommel-verhaal over een egoïstische en verwaande man die een toverdrankje tot zich neemt en vervolgens de geestenwereld kan zien en er, met beperkingen, mee kan communiceren. Het eindigt als een Lovecroft-verhaal met een tamelijk voorspelbare twist. Het is me al vaker opgevallen, maar veel van die verhalen uit de zogenaamde Golden Age zijn nogal bloedarmoedig bij elkaar geplot. Of komt het toch doordat wij nu, zeventig of tachtig jaar later zo veeleisender geworden zijn?

Op het scherpst van het ontleedmes (Occam’s scalpel. If, 1971)
Een beetje verward verhaal waarbij het niet helemaal duidelijk wordt wie nu hoofd- en wie bijfiguren zijn. Een oude ondernemer sterft en zijn medewerkers ontdekken dat hij een buitenaards wezen is, dat alleen maar vervuilde lucht met veel koolwaterstoffen en dergelijke kan ademen. Zijn hele industriële leven heeft hij bedrijven geleid die milieuverontreiniging veroorzaken. Als voorbereiding op een invasie van zijn soort? Wie zal het zeggen…

Meneer Costello, held (Mr. Costello, hero. Galaxy Magazine 1953) is een parabel over de uniformiteit van het fascisme of het antisemitisme (of: gezien het jaar van verschijnen: het McCarthyisme). Wederom een beetje zoals Marten Toonder zijn parabels placht in te kleden. Het loopt slecht af met de dictator/mensenvriend.

Theodore Sturgeon
Ook Begaafd (Talent. Galaxy Magazine 1953) is een Bommelverhaal, namelijk Het huilen van Urgje. Maar ook hier loopt het slecht af met de hoofdpersoon, een verwend, maar getalenteerd kind.

De hemel zag zwart van de schepen (The sky was full of ships. Thrilling Wonder Stories1947) is een nog zeer primitief space-archeology-verhaaltje (later veel beter gedaan door bijvoorbeeld Charles Sheffield of Jack McDevitt) waarbij op de Aarde geplante apparatuur de buitenaardse vijand moet waarschuwen als de mensheid technologisch een bedreiging begint te vormen. Op het kritische moment komen ze, en de hemel ziet zwart van de schepen. 

Donder en rozen (Thunder and roses. Astounding SF 1947) is een nogal prekerig post-apocalyptisch verhaal, waarin de hoofdpersoon, als een van de weinige overlevenden van een atoomaanval, besluit om juist geen wraak te nemen en de Amerikaanse bommen en granaten in hun silo’s te laten.
Veel van Sturgeon’s werk, althans in deze bundel, is vervuld van een grote zorg over de toekomst. Niet onbegrijpelijk natuurlijk, twee jaar slechts na Hiroshima en Nagasaki. Zoals ik al eens eerder vermeld heb, ben ik niet zo’n liefhebber van het post-apocalyptische thema.

De nachtmerries van parallel X (The incubi of parallel X. Planet Stories 1951) is met zijn zeventig bladzijden een van de langere verhalen in de bundel. En het heeft me intens verveeld. Een onhandig geschreven (en slecht vertaald) stuk hackwerk van de eerste orde. Pseudo-wetenschappelijke prietpraat, fantasie, een dimensiepoortje en reuzinnen. Na afloop dacht ik: het zal allemaal wel…

De hurkel is een gelukkig dier (The hurkle is a happy beast. Magazine of F & SF 1949) is ook eigenaardig vertaald. In het Engels zal het huisdier uit de titel wel consequent met “it” aangeduid zijn. Dat moet je niet vertalen als “het”. Zeker niet als je vervolgens bezittelijk voornaamwoorden moet gaan gebruiken.  De vertaalster had terecht geen zin in “hets”, maar om dan voor “haar” te kiezen. In het Nederlands moet je dan “zijn” gebruiken. Of wees consequent en laat de hurkel vrouwelijk zijn.
Ging het verhaaltje ook nog ergens over? Hm. Eigenlijk niet.

De teddybeer van de professor (The professor’s teddy-bear. Weird tales 1948). Een klein horrorverhaaltje waarin een teddybeer zich voedt met de ervaringen in de toekomst van wat nu nog een bijzondere kleuter is en later een professor zal zijn. Een beetje melodramatische toon. Wel een aardig gegeven, dat wellicht scherper uitgewerkt zou hebben kunnen worden. De clou aan het eind was wel een beetje verwacht.

Er bestaat geen afweer (There is no defense. 1948) is een invasieverhaal. Een ruimteschip van onbekende afkomst raast door het zonnestelsel en zaait verwoesting. Het begin van het verhaal oogt leuk en modern, maar helaas vervalt het door een paar lamme plotwendingen tot standaard, typisch veertiger-jaren pulp met straalpistolen en wezens met krabscharen als handen.

Jong geleerd (Like young. 1968). Het restant van de mensheid is bezig alle kennis door te geven aan een volgend dominant ras, de otters. Maar als een otter meewarig glimlacht om en commentaar levert op de vergissingen van Einstein en Heisenberg, blijkt dat dominante ras allang te bestaan.

Slotconclusie: ik ben niet zo blij met de verhalen van Sturgeon. Simplistisch, slordig, gehaast en nooit eens uitgelaten. Teleurstellend.

woensdag 9 augustus 2017

Theodore Sturgeon - Venus Plus X (MSF 28)


Venus Plus X van Theodore Sturgeon (geboren als Edward Hamilton Waldo) verscheen in 1960, en liep daarmee een paar jaar voor op de avant-garde van de vrouwenemancipatie en de seksuele revolutie.

Een doodgewone man wordt verplaatst van het Amerika van de zestiger jaren naar een tijd zeer ver in de toekomst, of althans, dat lijkt het te zijn. De mensachtigen van deze maatschappij, Ledom geheten (het omgekeerde van model) blijken hermafrodieten te zijn, die de man nodig hebben om vanuit het standpunt van een niet-ledomiet een oordeel te vellen over de maatschappij. Hij wordt langzamerhand bekend met de ogenschijnlijk ideale maatschappij van liefde die er heerst, tot hij ontdekt dat de ledomieten helemaal niet als hermafrodiet geboren worden, maar door een ingreep in het laboratorium zo gemaakt worden. Woedend wijst hij ze af, waarna de aap uit de mouw komt: hij bevindt zich helemaal niet in de toekomst maar in het heden, en hij is ook niet wie hij denkt te zijn: in werkelijkheid is hij een manlijk gebleven ledomiet die met de gedachten van een omgekomen homo sap. is gevoerd. Er wordt besloten dat hij in het geheime gebied van Ledom mag blijven, samen met een eveneens niet behandeld meisje.
In een parallelverhaal, geschreven in de tegenwoordige tijd, komen alle denkbare clichés aan bod: hoe jongens en meisjes al van jongs af aan in het keurslijf van hun biologische geslacht geperst worden: jongens met hun auto’s, meisjes met hun poppen; hoe films over liefde taboe zijn voor kinderen en geweldfilms prima gevonden worden, etc.

Theodore Sturgeon
Samen met Philip José Farmer, staat Sturgeon bekend als de meest seksueel expliciete van de klassieke sciencefictionschrijvers. De thematiek in het onderhavige boek is de dubbele seksuele en sociale moraal van, natuurlijk, met name de Verenigde Staten van na de oorlog. Veel van de problematiek in het boek is ook tegenwoordig nog actueel. De behandeling van homoseksuelen, het opgedrongen geslachtelijke gedragspatroon, de hypocriete seksuele en religieuze moraal. Het boek gaat zeer nadrukkelijk over het Amerika van 1960.

Als sciencefiction is het niet het meest opwindende boek uit de serie. Veel van de natuurkunde klinkt een beetje naïef en ouderwets, bijna vooroorlogs.

Het dunne boek is bedaard vertaald door Dolf Verroen en las in vier forens-ritjes uit.