zaterdag 15 mei 2021

Colin Kapp – Dalroi en de zwarte ridders (MSF 73)

Ergens in de tachtiger jaren wilde Meulenhoff kennelijk van zijn restanten af en konden we in de kantoorboekhandels (annex tabakswinkels) van Amsterdam-West voor een klein prijsje verrassingspakketten van de MSF-reeks aanschaffen. Voor een tientje of zoiets kreeg je dan 6 paperbacks als blok in cellofaan verpakt. Een kloeke aankoop. Ik heb toen vier of vijf sets aangeschaft. Natuurlijk zaten daar titels bij die mij niets zeiden. Dit, het 73e deel was er zo een. Een onbekende schrijver, een foute titel (ik had een hekel aan Fantasy, toen al!) een lelijk en goedkoop omslagontwerp. Wekt het verbazing dat het dertig jaar later, bij de laatste verhuizing, eindelijk ongelezen het kringloopcircuit in ging? 

Alles aan de productie van dit boek was een vergissing. De titel op zich al: de oorspronkelijke titel Transfinite Man werd dus iets vaags en onnozels met zwarte ridders. Ik was volledig op het verkeerde been gezet, want met fantasy heeft dit boek helemaal niets te maken. Integendeel: het is een soort dystopische thriller met hoofdpersoon Ivan Dalroi, die qua karakter ergens tussen Kirth Gersen en Gilbert Gosseyn gezocht moet worden, maar dan beschreven door een naïeve en onhandige schrijver. De held van dit boek is nog niet bij benadering zo interessant en goed beschreven als die van Jack Vance, of zelfs maar die van Van Vogt. 

Een goed boek is deze door Mieke Groot onder het bekende pseudoniem Walter B. Relsky voor haar doen redelijk vertaalde roman dus bepaald niet. De overvloed aan geweld is uitermate cartoonachtig en doet me een beetje denken aan de meer primitieve computerspelletjes die sedert decennia in omloop zijn. Wat mij vooral onaangenaam en ongeloofwaardig trof in het eerste deel was het eindeloze gebabbel van Dalroi, die zijn diepste gevoelens en beweegredenen, twijfels en sarcasmen vrijelijk deelt met al zijn tegenstanders. Dit geeft geen vertrouwenwekkende indruk. De plot van het boek is bespottelijk. Een vage organisatie genaamd Ontspoorlijn (in het Engels: Failway), beheerd door nog vagere zwarte ridders(geloof ik), biedt miljoenen mensen in de zogenaamde transfiniete ruimte een droomervaring aan, maar is in werkelijkheid het kwaad op aarde, en Dalroi, die meer dan menselijk is (maar niet weet in welk opzicht) is erop uit die organisatie te vernietigen. Of dit beeld ergens voor staat (de televisie, de drugswereld) ik heb geen idee. Alles is zo rommelig en à propos in elkaar gezet dat er geen touw aan vast te knopen valt.

Colin Kapp
Ongeveer op een derde wordt het boek ineens experimenteel en psychedelisch, en lijkt het nog het meest op het werk van een middelbare scholier die stuntelig Philip Dick met Hugo Raes probeert te combineren. Het is allemaal volstrekt niet overtuigend. Op iedere bladzijde weer moet de Haat van Dalroi benadrukt worden en het feit dat hij anders is dan anderen. De gehele tweede helft van het boek wordt gevormd door het psychedelische gevecht tussen Dalroi (die anders is dan anderen, en wiens Haat al het andere overtreft, ja ja, nu weten we het wel!) en de booswichten van de Ontspoorlijn. Keer op keer wordt hij geroosterd en gekookt in een zeven-dimensionale transfiniete ruimte (nee, ik ook niet) totdat uiteindelijk het systeem vernietigd wordt. Aan het eind blijkt nog dat de vriendin van Dalroi, zogenaamd ontvoerd, de eigenlijke leider is van de tegenpartij. Ik was al zover dat ik daar warm noch koud van werd. Als allerlaatste plotwending blijkt dan ook nog dat al die tijd de ‘good guys’ de slechteriken waren, en de ‘bad guys’ een interstellaire macht die probeert de mensheid voor groter onheil te behoeden. Dit was met enige voorsprong het slechtste boek uit de reeks tot nu toe.

vrijdag 23 april 2021

Eric Frank Russell – Welkom op Aarde (MSF 72)

Ook van mijn houding ten aanzien van Eric Frank Russell maak ik geen geheim: ik ben een fan. Door zijn nonchalante en elegante hard-boiled stijl denken veel mensen dat hij een Amerikaan was, maar hij was een Engelsman. Hij woonde en werkte in de Verenigde Staten, dat wel.

Russells verhalen kenmerken zich nogal eens door de confrontatie tussen een vrijdenkende eenling en een log bureaucratisch of militair systeem. Russels luchtige anarchistische levensfilosofie steekt geregeld de kop op en ik vind zijn gedachtewereld verfrissend. Ik verheugde me dan ook op dit boek, maar ben nu aan het eind een beetje teleurgesteld. Naast een aantal goede verhalen trof ik ook wel veel niemendalletjes aan. Sommige van de in dit boek verzamelde en door Warner Flamen vertaalde verhalen publiceerde hij onder het pseudoniem Duncan H. Munro. Slechts twee van deze bij vlagen opvallend modern aandoende verhalen zijn gepubliceerd gedurende mijn leven.

Diabologica (Diabologic, Astounding, maart 1955). Een standaard Russell-verhaal: een eenpersoonsdelegatie maakt contact met een nieuw ontdekte ruimtevarende beschaving. Brutaal en arrogant draait de slechts met een rappe tong gewapende eenling de bureaucratie van de planeet dol. Alles verloopt zoals het al zo vaak tevoren is gegaan, en weer is een volk overtuigd geraakt van de superioriteit van het menselijk ras.

Ankerlijn (Tieline, Astounding, juli 1955). Een beetje een niemendalletje. Om te voorkomen dat vuurtorenwachters die voor tien jaar helemaal alleen op een ver verwijderde planeet te werk worden gesteld compleet dol draaien, moeten ze iets hebben om houvast te bieden. Op deze specifieke plaats, een waterplaneet met wat rotseilanden, blijkt de oplossing te liggen in het sturen van zevenhonderd zeemeeuwen.

Hobbyist (Hobbyist, Astounding, september 1947). Een verkenner bereikt een planeet waar van iedere levensvorm, plantaardig of dierlijk, slechts één exemplaar aangetroffen wordt. Het blijkt dat deze planeet een testlaboratorium is van een god.

U-bocht (U-Turn, Astounding, april 1950). Een dystopische (of utopische?) wereld waar alleen de jongeren werken en de ouderen van een schijnbaar eindeloze oude dag kunnen genieten. Wat wil je nog meer? Douglas Mason is het leven na bijna driehonderd jaar wel zat en wil er een eind aan maken. De staat faciliteert dat, maar niet helemaal op de manier die Mason voor ogen stond…

Finale (Late Night Final, Astounding, december 1948). Dit is een heel typisch Russell verhaal. Een militaire macht landt op een planeet om die te onderwerpen, maar de bevolking trekt zich niets van de soldaten en hun vuurkracht aan. Allengs deserteren er steeds meer strijdkrachten, totdat de vloot volledig ontbonden wordt door de sociale aikido van de bevolking.

Het thema van dit verhaal werd vier jaar later in een sterk verbeterde versie, scherper en gedetailleerder, opnieuw gebruikt voor het verhaal And Then There were None (1952), dat op zijn beurt is opgenomen als vierde deel van de roman The Great Explosion (1962), dat ik eerder in dit blog behandeld heb.

Vertaler Warner Flamen lijdt in dit verhaal nog zwaarder aan de ziekte van het tegenwoordig deelwoord dan gewoonlijk. Dit stijlbloempje doet het leesplezier aanmerkelijk kelderen, dat heb ik al eens eerder betoogd. De onplezierige aandoening resulteert in zinnetjes als: ‘Ze aanrakend gebaarde Somir ze naar de deur.’ Het is niet mogelijk om ‘Nudging them, Somir gestured toward the door.’ lelijker en onhandiger te vertalen!

Opnieuw proberen (Second Genesis, The Blue Book Magazine, januari 1952). Een interstellaire reiziger keert terug naar de Aarde. Voor hem waren het drie jaren geweest, voor de Aarde tweeduizend. Het blijkt dat de mensheid volledig uitgestorven is, hij is alleen nog over. Dan verschijnt er een godheid (een deus ex machina van het zuiverste water) die uit een rib van de astronaut een vrouw creëert. Een heel slap verhaaltje.

Benenwerk (Legwork, Astounding, april 1956). Een buitenaardse bankrover met telepathische krachten wordt door twee nuchtere politiemannen opgespoord. Dit is het langste verhaal van de bundel en hangt er een beetje tussenin: te lang eigenlijk voor een verhaal, aanzienlijk te dun voor een roman. Een soort protoroman.

P.S. (P.S., Science-Fiction Plus, october 1953) gaat over een intense penvriendschap tussen een mens en wat naderhand blijkt een intelligente, maar afzichtelijke en onwelriekende schimmel te zijn. Niettemin handhaaft de mens zijn warme gevoelens voor zijn vriendin.

Paniekknop (Panic Button, Astounding, november 1959). Op iedere planeet die de mensheid inpikt wordt een langgestrafte met strafvermindering als een soort plaatshouder neergeplant die, voorzien van een knop en een sinister uitziende machine, verder niets anders hoeft te doen dan andere ruimtevarende en planeetveroverende volkeren bang maken. Een pure blufknop dus. En het werkt. Russell is bijna racistisch, zo is hij overtuigd van het vernuft van ons, mensen, ten aanzien van alle andere buitenaardse wezens!

Niets nieuws onder de zon (Nothing New, Astounding, januari 1955). Menselijke ruimtevaarders die een planeet van onsterfelijken bezoeken, realiseren zich niet dat de mensheid daar al eens eerder geweest is. Een nogal duister verhaaltje.

Ik ben niets (I am Nothing, Astounding, juli 1952). Dit is eigenlijk geen sciencefictionverhaal. Een militaire dictator krijgt een slachtoffer van zijn dadendrang te gast en hem vallen de schellen van de ogen als het abstracte kwaad dat hij routinematig aanricht plotseling een concrete invulling krijgt.

Allamagoosa (Allamagoosa, Astounding, mei 1955). Een humoristisch verhaaltje gebaseerd op een woordgrap. In de inventarislijst van een militair schip staat een offond genoteerd (in het Engels offog). Niemand weet wat dat is en dus bouwen ze er een, puur om de inspectie te kunnen doorstaan. Als ze later voor alle zekerheid rapporteren dat hun offond geëxplodeerd is, blijkt pas welke tikfout hun parten heeft gespeeld.

Al met al, zoals reeds geconstateerd, een beetje teleurstellende verzameling. Veel flauwiteiten en eigenlijk vrij weinig echte Russelliaanse meesterwerkjes. De vreselijke vertaling hielp ook niet echt.

Ikzelf zou een paar kortere flauwekulverhaaltjes weggelaten hebben en daarvoor in de plaats een (goede) vertaling van Design for great day hebben opgenomen. Dat verhaal komt nu pas veel later in de reeks pas aan de beurt, in deel 148.


vrijdag 9 april 2021

Philip Dick – De spelers van Titan (MSF 71)

Hoewel ik nog steeds niet in de forensentrein aan te treffen ben, neem ik zo nu en dan toch maar weer eens een deeltje van de Meulenhoff SF-reeks ter hand. Men moet wat in lockdown.
 
De aandachtige lezer van dit blog zal weten dat ik geen fan ben van Philip Dick. Er is iets aan zijn fantasie dat ik grauw vind, plat en triviaal. Wonderlijk, omdat hij juist heel populair is als een visionaire schrijver, die grenzen tussen genres weet te slechten en met een voldragen en krachtige literaire stem spreekt. Ook is het zo dat het merendeel van zijn werk geschreven is onder invloed van geestverruimende middelen. Ik lees dat er allemaal dus niet aan af. Dick voelt zich het meest op zijn gemak in dunnige, metalige post-apocalyptische dystopieën. Zijn hoofdpersonen en hun motieven zijn naargeestig of psychotisch. Sommige boeken van hem vind ik naargeestiger dan andere, en het lapidair door ene D. Markus vertaalde De spelers van Titan vind ik het naargeestigste tot nu toe. Een eerder boek van hem heb ik al slechts met hangen en wurgen uit weten te lezen, maar er zijn grenzen. Ik ben in dit boek halverwege gestopt, ik kon er niet meer tegen.

De mensheid is na een kernramp die de vruchtbaarheid heeft beïnvloed teruggebracht naar een handzame paar miljoen. Voortplanting is vrijwel onmogelijk geworden en slechts als men tijdens het blufspel een drie gooit kan men hoop koesteren op een betere toekomst. Pete Garden, de bipolaire hoofdpersoon van dit boek heeft zijn vrouw en het grootste deel van zijn land verloren en wil dat graag terugwinnen. Luckman, de man die hem die grond afhandig gemaakt heeft wordt vermoord en de wereldleiding, bestaande uit vugs, de op silicium gestoelde levensvorm van Saturnus’ grootste maan Titan, begint zich met het geval te bemoeien. Zij hebben de macht over de resterende mensheid overgenomen, geven leiding aan het blufspel en gebruiken telepathie en hallucinaties om hun macht te handhaven.

Tot hier heb ik het boek doorgeworsteld. Ik weet dat verderop in het boek de gokgroep van Pete Garden, als verdachten van de moord, naar Titan getransporteerd zal worden om daar een ultiem spel te spelen en waar een heleboel kwalijks omtrent de vugs ontdekt wordt.

Men prijst nogal eens de plot van deze korte roman. Omdat ik hem niet tot het einde heb uitgelezen, kan ik niet echt oordelen, maar wat ik in de eerste helft aangetroffen heb als plot-ondersteunend materiaal, gaf me geen goed gevoel. De karakters van de personages zijn uitgesproken zwak. Ondanks alle toestanden die er in hun hoofden omgaan, blijven ze opmerkelijk eendimensionaal. Geen van de personen springt er gunstig uit en ik kon me met niemand identificeren. Hun lot liet me dan ook volledig koud.

vrijdag 29 januari 2021

SF-limericks

Om iets te vieren (ik ben vergeten wat) organiseerde Meulenhoff rond de sciencefictionreeks een limerick-wedstrijd. Voor JP en ik, allebei hartstochtelijke plezierdichters, aanleiding om er eens lekker voor te gaan zitten. Bergen limericks produceerden we, de ene nog prijswinnender dan de ander. We waren ervan overtuigd dat we allebei de hoofdprijs (ik geloof iets als veertig boeken uit het fonds, of zoiets) zouden winnen. Als we 1 en 2 zouden worden, zouden we de buit delen.
Het liep anders. We zonden onze cornucopie van limericks in en hoorden vervolgens helemaal niets meer.
Geen ontvangstbewijsje. Geen uitslag. Niets.
Dus gingen de limericks in het archief, zoals zoveel andere literaire productie van ons. JP vertelde me zojuist dat hij zijn limericks ook helemaal kwijtgeraakt is. Jammer, want ze waren briljant.
De mijne heb ik nog wel, want ik heb een obsessieve bewaarstoornis.


Belezen

Er was eens een criticus Fens,
die rekende zich tot de fans
van Shakespeare en Yeats,
Petrarca en Keats,
van Deyssel, Flaubert en Jack Vance.


Droommoord

Een bekwaam solipsist te Narbonne
bedacht quasars, kometen en zonnen.
Op een dag, in de goot,
dreef hij langs, hij was dood
door mijn wil: ik had hèm weer verzonnen.


Erkenning

Er zal ooit een archeologe
ontroerd en met vochtige ogen
in 10008
verklaren met kracht
dat Asimov niets heeft gelogen!


Maanziek

Er was ooit een man die als tweede
de grond van de Maan mocht betreden.
Zoiets lijkt niet zo erg,
maar het sneed door zijn merg:
hij werd stapel en greep naar de mede.


Marooned

Er zijn zuurstofproblemen gemeld.
Astronautenvrouw mompelt gekweld
tegen Gregory Peck en
ze zwaait naar Gene Hackman
in de rol van wanhopige held.


Ode aan Isaac

Een piloot van de Jupiterbasis
vond een lederen koffer in stasis,
met als inhoud, zo tof,
boekjes van Asimov
dus je snapt dat die basis nu daas is.


Ode aan Meulenhoff

Er was eens een slimme geleerde
die jarenlang moeizaam studeerde,
tot dit duivels genie
Einsteins theorie
naar M=SF corrigeerde.


Pardon

Een vrouwenversierder van Venus
die had een gigantische... Neen is
het goed dat ik zwijg?
Want anders dan krijg
ik last met de Wet, en da's menens.


Reisje

De vrouw van een heerboer uit Grollo
had reis geboekt in een Apollo.
Ze wenkte von Braun,
'The chief of the town',
en zei minzaam: "Purser, één collo."


Tilt

Een computer uit 's Hertogenbosch
calculeerde er lustig op los
tot hij stroomdronken raakte
en limericks braakte
die helaas zonder uitzondering niet klopten, aangezien hij geen enkel gevoel voor maat en ritme had, om over rijm nog maar helemaal te zwijgen. (Men weet hoe dat gaat met computers: altijd exact en precies, maar gevoel voor het hogere ontberen ze volkomen...)
(Ach, vertel mij wat.)


Transito

Er was een tijd-ruimte continuum
dat uitkwam in Emmer-Compascuum.
De hotels waren vol
met bezoekers aan Sol,
op doortocht door 't kosmische vacuum.


Uitgaanscentrum


Een tijd-ruimtepoortje in Heer
had te maken met zeer druk verkeer:
de premier van Tau-Ceti,
zes Grogs en een Yeti
verpoosden zich prettig in Heer.


Verkeersinformatie

Een bus vol met Venusianen
(gelijkend op blauwe lianen)
onderweg van Geleen
naar Klazienaveen
zit vast voor de brug bij Vianen.

zaterdag 2 januari 2021

Frank Herbert – Dune (MSF 70)

Elders heb ik op een blog wat geschreven over het door Covid-19 geïnstigeerde herlezen van invloedrijke boeken uit mijn jeugd. Men leze daarover hier, en hier. Dit korte artikel zou net zo makkelijk in die reeks geplaatst kunnen zijn, maar omdat dit boek daadwerkelijk deel 70 van de sciencefictionreeks van Meulenhoff is, toch maar hier.
Zoals de lezer ondertussen weet, lees ik de M=SF-reeks in principe alleen tijdens mijn forensen van Haarlem naar Den Haag en terug. Door omstandigheden buiten onze controle is het daarvan sedert 17 maart jongsleden niet meer gekomen. Ik was een paar honderd moeizame bladzijden doorgedrongen in het eerste epos van Duin toen plotseling de reisrestricties van kracht werden en sedertdien werk ik, zoals zovelen thuis.
In het begin keek ik helemaal niet om naar Duin. Ik ging ervan uit dat de restricties een paar weken, misschien anderhalve maand zouden duren en dat ik daarna wel weer op mijn vaste plaatsje in de intercity van 06:37 terecht zou komen, dapper doorlezend. Maar het ging helemaal anders en nog steeds heb ik geen teen gezet in het ’s Graeven Haeghjen.
Dus op een bepaald moment heb ik besloten om dit boek dan maar thuis uit te gaan lezen voor het slapen gaan. Het is me, moet ik eerlijk bekennen, niet gelukt. Het slapen gaan wel, en daar zit hem meteen het probleem.
Ik heb dit boek eerder gelezen, lang geleden, toen ik nog geen twintig was. Ik vond het toen… wel goed. Mwa. Ja, wel aardig. Niet fantastisch, zeker niet. Een beetje oké.
Nu, 45 jaar later herlees ik het en ik begrijp niets van dat oordeel. Ik val compleet om van verveling. Wat is dit een saai boek zeg! Waren we toen we jong waren zo hongerig naar boeken dat we alles oppeuzelden wat ons aangeboden werd? Of hadden we toen eenvoudigweg een betere, minder luie smaak dan nu? Het is een vraag die ik me veel vaker stel en een bevredigend antwoord erop heb ik nog steeds niet gevonden. Laten we het er als werkhypothese maar op houden dat ik nu, 64, een zure scherprechter ben geworden.

Here Jezus, wat een onvoorstelbaar vervelend stuk ellende is dit boek. Doorheen het lijvige pak papier is geen enkele spannende plot aan te wijzen. Als er al iets van intrige gesuggereerd wordt, wordt dat direct opgelost. Bijvoorbeeld: er is een verrader in de hofhouding van de held (ik ben even zijn naam kwijt, hoewel ik dus honderden bladzijden over hem gelezen heb), maar om mij volstrekt onduidelijke redenen verklapt de schrijver meteen wie die verrader is, iets dat de hoofdpersoon zelf dan nog niet weet. En zo gaat het verder.
Frank Herbert
Herbert heeft ampel geleend van de islamitische cultuur en in feite zou dat hele Duin, op de grote enge wormen na, net zo goed in Saoedi Arabië kunnen spelen. Er gebeurt weinig, en wat er gebeurt, gebeurt volgens formele sharia-achtige, sociologische wetten, waaraan iedereen onderhevig is. Honderden bladzijden lang.
De boef is onsympathiek en oninteressant, de held en zijn moeder zijn onsympathiek en oninteressant, en ik zat ondertussen uit te kijken naar het volgende Meulenhoff-deeltje, welk dat dan ook moge zijn, alles beter dan dit.
Dus heb ik, wetende dat dit slechts het eerste deel is van wat uiteindelijk als ik goed geteld heb 22 delen moet gaan omvatten, de beslissing genomen te stoppen. Een leven is te kort voor dit soort dingen.

zondag 2 februari 2020

Sam J. Lundwall – Wat is science fiction? (MSF 69)


In dit stadium leek het alsof de Meulenhoff-serie een zachte dood aan het sterven was. Na een ietwat matte verhalenbundel, een heruitgave van Vance’s vierluik en de heruitgave van drie eerder verschenen romans in de vorm van een omnibus, werd de lezer nu vergast op dit non-fiction boek. Hoe kon het ooit nog goed komen?

De Zweed Sam J. Lundwall is zelf ook sciencefictionschrijver, al had (en heb) ik eerlijk gezegd nooit iets van hem gelezen. Ik geef toe dat het interessant kan zijn om te zien wat een professional over zijn vak te zeggen heeft, maar oh, wat een teleurstelling is in dat opzicht dit boek. Het kent een permanent aangehouden toon van minzame ironie en badinerend dedain. Als er iets is waar ik niet van houd in mijn non-fiction, is het wel badinerend dedain. Zeker niet in de slordige, bijna onverschillige vertaling van Warner Flamen.

Als eerste worden de Utopieën behandeld, vanaf Plato (“die ouwe Nazi”) tot de dystopieën (die heetten in 1970 nog “anti-utopieën) van de twintigste eeuw. Het onderwerp boeit Lundwall zeer: hij blijft er lang bij stilstaan. Wat ik elders al eens schreef over wat ik toen noemde de geschiedenis van de toekomst, geldt hier natuurlijk ook. De toekomst, beschreven in 1920 en beoordeeld door Lundwall in 1970, vindt veelal plaats tussen 2020 en 2045. Veel van het voorspelde blijkt wel, of juist faliekant niet te kloppen. Maar ook veel van wat Lundwall over de vroegere toekomstvoorspellingen opmerkt, is tegenwoordig even zo goed volledig anders gegaan. Zo gaat dat.

Als tweede behandelt Lundwall de zogeheten Fantasy. Ook hier spot hij weer uitbundig, deze keer onder andere met historici die de stroming willen laten beginnen in de grijze oudheid. In een op zich wel redelijk onderbouwd verhaal analyseert hij de uitgangspunten van de fantasy tegenover die van de sciencefiction en als hij niet voortdurend zelf meesmuilend in het beeld zou gaan staan, zou ik vermoedelijk vaker instemmend geknikt hebben. Via de gothic romance van Walpole, Clara Reeve, Matthew Lewis en Mary Shelley komt hij bij de horrorverhalen van Poe en Lovecraft terecht. Weer is hij bijna binair in zijn oordelen: of de schrijvers zijn geweldig (Poe natuurlijk, maar ook Tove Jansson en haar Moem-strips) of vreselijk slecht. Jammer, dit. Lundwall heeft naar het schijnt een attitude problem.
Space Opera wordt door Lundwall tot de Fantasy gerekend. De meeste Space Opera heeft geen enkele literaire waarde: een conclusie waar Lundwall gretig gewag van doet. Toch houdt hij ervan en mensen die het genre afwijzen snappen er niets van.

Vervolgens wordt de vrouw in de sciencefiction behandeld. Tussen al het gesmaal en gemeesmuil door, maakt Lundwall een aantal krachtige punten. Het was in 1970 inderdaad schandalig hoezeer de vrouw in de sciencefiction niet meer was dan een bevallig decorstuk. Er waren op dat moment weinig schrijvers die haar een volwaardige rol toebedachten. Zelfs de vrouwelijke scienfictionschrijvers zelf zaten vaak vast in die reactionaire denkpatronen. Ik denk dat het allemaal sedert het verschijnen van dit boek wel een stuk beter geworden is, en er zijn zelfs feministische scienfictionschrijfsters opgestaan, maar ik denk dat in het merendeel van wat er heden ten dage wordt geproduceerd, de vrouw op zijn best tevreden moet zijn met een min of meer neutrale rol. Wat ik wel vreemd vind is dat hij met name The Moon is a Harsh Mistress van Heinlein noemt als zijnde zeer vrouwonvriendelijk. Ik zie dat niet: juist in deze roman komen een paar zeer sterke en dominante vrouwen voor.
In één adem gaat Lundwall in hetzelfde hoofdstuk door naar de behandeling van robots in sciencefiction. Een automatische stap die me ook wel iets lijkt te zeggen over Lundwall zelf!
Naast de vrouwen (en de vrijwel niet bestaande seks) en de robots (waartoe ook cyborgs en androids gerekend worden) komen ten slotte de buitenaardse monsters aan bod. Die drie! In één hoofdstuk!
Dankzij Isaac Asimov en zijn wetten van de robotica, worden de stalen mannen en vrouwen doorgaans nog het minst denigrerend behandeld, stelt hij vast.

Sam J. Lundwall
In het volgende hoofdstuk, over sciencefictionstrips, -tv-series en -films gaat Lundwall helemaal los. Zijn snobistische gehoon kent geen limiet meer en alle superhelden zijn zonder uitzondering “zwakzinnig, of zelfs imbeciel”. Als je alle snedige opmerkingen van de auteur buiten beschouwing laat, blijft van dit hoofdstuk niets anders over dan een lijst van namen, die ik dan maar voor kennisgeving aanneem.

De volgende hoofdstukken, over tijdschriften, prijzen en fancultuur, recapituleren weer een heleboel wat we al eerder gelezen hebben en worden dorre opsommingen van namen en data.

Het laatste hoofdstuk handelt over de toekomst van het genre, die zich bij Lundwall beperkt tot wat hij new wave noemt: een subgenre binnen de sciencefiction met vooral veel aandacht voor de niet altijd plezierige binnenste wereld van de mens. Licht surrealistisch, licht psychotisch, veel Angst, veel dromen. Op het moment van publicatie van dit boek was die stroming trouwens eigenlijk al weer over haar hoogtepunt heen. Hoewel hij geen puritein beweert te zijn en uit een land komt dat een gezonde visie op seks heeft, hekelt Lundwall het vele gebruik van vulgaire taal bij de new wave.

Warner Flamen rondt het geheel af met een nogal deprimerend essay over de actuele stand van zaken in Nederland.

Een boek als dit is wel interessant vanwege het tijdstip van verschijning: precies op een scheidslijn tussen de “ouderwetse” sciencefiction van voor 1970 en de aanzienlijk modernere van er na. Lundwall hekelde de mentaliteit van de oude, niet wetende dat zijn smeekbeden om een moderne, volwassen vorm van sciencefiction op dat moment al hier en daar verhoord werd, zij het niet in de vorm van de new wave.
Schrijvers als Greg Bear, Gregory Benfort, Stephen Baxter, David Brin of Iain M. Banks, maar ook schrijvers wier achternaam niet met een B begint, zoals Alastair Reynolds, Terry Pratchett en Douglas Adams stonden op het punt om naam te maken.
Dit boek is wel heel erg door een Zweed geschreven. Men zou licht de indruk kunnen krijgen dat er slechts drie sciencefictionlanden zijn die er toe doen: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zweden. Een beetje redactiewerk zou hier wonderen hebben verricht.
Verder is Lundwalls kennis van de wereldliteratuur op het eerste gezicht nogal eenzijdig. Om de haverklap komt de Franse schrijver Alfred Jarry om de hoek kijken, maar veel verder dan deze, toegegeven buitengewoon vreemde en interessante gast, gaat het niet. Geen Lautreamont of Roussell, om in dezelfde sfeer te blijven, en verbazend weinig andere twintigste-eeuwse surrealisten komen aan bod. Enfin, je kunt ook niet alles hebben.
Ik vond het een beetje mager boek, dat smeekt om een robuuste opvolger.

maandag 27 januari 2020

Supernova! (MSF 68)


Dit deel is een omnibus. De drie romans zijn eerder in de reeks verschenen als delen en ik heb ze dus al eerder besproken.
Zie aldaar.