Posts tonen met het label A. E. Van Vogt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label A. E. Van Vogt. Alle posts tonen

dinsdag 4 december 2018

A.E. van Vogt - De wapensmeden (MSF 57)


Voor het eerst verschenen er twee delen van een reeks achter elkaar in de Meulenhoff SF serie. Als vervolg op De arsenalen van Isher (M=SF 56) ligt hier nu deel 57 voor me, De wapensmeden. Dit tweede deel is oorspronkelijk geschreven als parallel, eerder dan als vervolg op de uitgave van de verhalen die uiteindelijk de eerste roman zouden gaan vormen. Het was oorspronkelijk als serie verschenen in Astounding Science Fiction van februari tot april 1943. Het bezit alle kenmerken van pulplectuur. Verdwenen zijn namelijk de sporen van schrijfvreugde die ons in het (eerste deel van het) eerste deel zo prettig verrast hadden. Nu is er weer die noeste remingtonslaaf die eigenlijk helemaal niet van literatuur houdt: hier is weer die nurkse broodschrijver die plot op onwaarschijnlijke plot stapelt, zich van cliffhanger naar cliffhanger een weg door de tweehonderd bladzijden kapt en die zelf waarschijnlijk enigszins gegeneerd zal constateren dat het hem toch weer gelukt is.

De lezer vraagt zich wellicht af wat ik toch steeds met die ietwat wollige term “schrijfvreugde” bedoel: kun je die meten, kun je er iets over beweren dat een ander ook kan begrijpen? Dat is, toegegeven, altijd lastig, maar wanneer het werk betreft van een “hacker”, een professionele pulpschrijver, wordt het wat eenvoudiger. Er moet brood op de plank komen en vaak worden de begrippen kwaliteit en kwantiteit onderling verwisselbaar. Een literair schrijver zal vermoedelijk veel eerder een innerlijke drang voelen om iets op papier te zetten, eenvoudigweg omdat een leven waarin dat niet gebeurd is (en dan zo voortreffelijk mogelijk) voor hem of haar niet waard is geleefd te worden. Een broodschrijver zal waarschijnlijk lagere esthetische maatstaven aanleggen: de tekst moet begrijpelijk en daardoor verkoopbaar zijn. Esthetica telt daarbij veel minder mee. Natuurlijk zijn er ook legio broodschrijvers geweest die er een voorbeeldige schrijfstijl op nahielden. Lees bijvoorbeeld New Grub Street van de negentiende-eeuwse Engelsman George Gissing. Maar dat aspect van het ambacht was niet het eerste vereiste. En Van Vogt was een schrijver die het dan ook resoluut weggesneden had. Zijn schrijfstijl was uitgesproken lelijk. En omdat ik hecht aan mooi geschreven teksten, hamer ik in deze stukjes voortdurend op dit aspect: het bevalt mij niet.

Alfred Vogt
Hoewel de Wapensmeden dus gelijktijdig met de verhalen van de Arsenalen van Isher verschenen is, speelt de roman een jaar of zeven later, wanneer keizerin Innelda voor in de dertig is. Robert Hedrock is nu de onbetwiste hoofdpersoon. Zijn onsterfelijkheid is een essentieel plotelement geworden net als zijn precaire positie tussen de keizerlijke macht en de vigilante Arsenalen in. Veel later in het boek zal gesuggereerd worden dat hij duizenden jaren geleden aan de wieg gestaan heeft van beide elkaar in een patstelling houdende machten. In de looop van het boek gaat de plot alle kanten op. De keizerin wil voorkomen dat de mensheid een sneller-dan-lichtmotor verwerft, iets waar Hedrock juist naar streeft. Hij laat zich arresteren en door Innelda ter dood veroordelen, maar krijgt de kans te ontsnappen. Tijdens zijn ontsnapping met gebruikmaking van die motor komt hij in de ruimte in contact met een superieure beschaving van emotioneel arme, spinachtige buitenaardse wezens die experimenten met zijn geest doen. Ook zijn ze geïnteresseerd in een telepathische tweeling, waarvan er één is gestorven. Hedrock wordt teruggebracht, speelt hoog spel, trouwt met de keizerin en wordt wederom ontvoerd, nu door de Arsenalen, die hem ook dood willen. Doordat hij een rare kronkel door de tijd heeft gemaakt, zijn er nu twee Hedrocks, waarvan de tweede de eerst redt (of andersom, dat kan ook). Uiteindelijk hoepelen de spinnen op, raakt de keizerin zwanger, wat haar dood ten gevolge zal hebben, maar als ik het goed begrepen heb, kan Hedrock met hulp van de spinnen-wetenschap die dood afwenden.

Hoofdlijnen zijn dit, ik sla vele details over. Er zijn ook nog reuzenratten en Hedrock zelf maakt zich veertig meter hoog om kracht bij te zetten aan zijn eisen, namelijk het vrijgeven van de motor. Nog wel meer onwaarschijnlijkheden passeren de revue: dodelijke stralen, teleportatiepoortjes.
Maar naast alle onzin zitten er heus wel interessante ideeën in het boek. Om een voorbeeld te noemen: op een bepaald moment opent Hedrock een gecompliceerd slot met een apparaatje dat gebruikt lijkt te maken van iets dat doet denken aan kwantum-verstrengeling en dat is toch wel bijzonder, zo’n zestig jaar voordat de wetenschap zich over dat onderwerp begint uit te spreken.

Helaas verslapt tegen het einde de aandacht van vertaalster Mieke merkbaar en in de laatste vijftig bladzijden krijgen we, zoals al in eerdere vertaalpogingen van haar, om de drie pagina’s weer bezoek van dat gehate, nuffige rotwoordje “uiterst”. Alles bij elkaar was ik toch wel weer blij toen ik het uit had. Waarom doe ik dit eigenlijk?

zondag 2 december 2018

Alfred E. Van Vogt - De arsenalen van Isher (MSF 56)


Net als het vorige in dit blog behandelde boek van de Canadees Alfred E. Van Vogt, Tijd van leven, is ook De arsenalen van Isher een zogenaamde fix-up (een term gemunt door Van Vogt zelf): drie in de veertiger jaren in diverse tijdschriften verschenen kortere verhalen zijn in 1951 samengevoegd tot een soort geheel. Deze handelswijze brengt enige risico’s met zich mee, want niet altijd gelukt het de schrijver om het uiteindelijke resultaat volledig homogeen te krijgen. In deze roman ondervinden we dat aan den lijve.

De vertaling van M.K. Stuyter S.J. (dat was één van de vele melige schuilnamen van Mieke Groot, weet u nog wel?) is redelijk - het boekje leest makkelijk weg. Althans… in het begin. Hier en daar zijn zelfs sporen van schrijfvreugde te bespeuren. Even lezen we hier nog niet de latere Alfred Van Vogt die eigenlijk niet houdt van mooie taal, die stuurse en zakelijke opsommer die, wars van alle opsmuk, weigert een verteller te zijn. Naarmate het verhaal echter meer en meer vast dreigt te lopen, en de professionele pulp-hacker zijn zaakjes bij elkaar tracht te houden, wordt het leesplezier minder. En helemaal voor niets, ben ik bang, want hij slaagt er uiteindelijk toch niet in om er een homogeen geheel van te maken. Zelden heb ik zulke opzichtige losse einden gezien in een sciencefictionboek.

Pas na een aantal schijnbewegingen, gevormd onder andere door enkele van de oorspronkelijke losse verhalen die de feitelijke “roman” body moeten geven, komt de kennelijke hoofdpersoon, Robert Hedrock naar boven drijven. Ondertussen is er een journalist gevangen geraakt in een eeuwige slingerbeweging van de tijd. Dit was een van de oorspronkelijke verhalen: The Seesaw (verschenen in Analog Science Fiction and Fact, July 1941). Op zich was dit gedeelte heel goed geschreven, maar het heeft volstrekt niets te maken met de rest van het verhaal. Voorts is de zoon van een motorbouwkundige, geboren met talent voor geluk, schatrijk geworden en weer straatarm en weer schatrijk en ook nog eens machtig nu hij tot de binnenste cirkel van keizerin Innelda Isher is gaan horen. Op de achtergrond is hij daarbij intensief begeleid door Robert Hedrock.

Alfred E. Van Vogt
Ah! Goed! Na deze inleidende dwaaltochten nu dan het eigenlijke verhaal. De wapensmeden maken en verkopen wapens. Vreemde wapens, want ze kunnen alleen maar gebruikt worden ter verdediging, niet als aanvalswapens. Verdediging waartegen? Vooral de corrupte macht van de keizerin van Isher. De filosofie van het bedrijf wordt verwoord door een slogan, in het Nederlands tautologisch vertaald als: Het recht wapens te mogen kopen is het recht om vrij te zijn. Met andere woorden: dit is typisch Second Amendment werk: de toevoeging aan de Amerikaanse grondwet waarin het recht om wapens te dragen ter verdediging tegen eventuele corrupties in de regering omschreven wordt. Precies de basis waar de National Rifle Association zich op baseert. Geen wonder dus dat dit boek favoriet is bij die eigenaardige wapenfanatici daarginds, in dat prachtige land USA.

Robert Hedrock wordt pas ver in het verhaal geïntroduceerd, ook al blijkt hij de ware hoofdpersoon te zijn. Hij is de enige onsterfelijke mens op aarde, een curieuze anomalie die voor het plot verder volstrekt irrelevant blijkt te zijn. Hij heeft het op zich genomen om de wapensmeden en hun arsenalen te herinneren aan hun oorspronkelijke doelstellingen, die van bescherming tegen de corrupte regering van keizerin Innelda Isher. De politieke filosofie van de Arsenalen beperkt zich tot het verschaffen van de middelen om zich te verdedigen tegen de corruptie van de Isher dynastie en het verschil te zijn tussen de staatsvorm van dat moment en een volledig totalitaire maatschappij.

Van Vogt is zo druk bezig met het verzinnen van allerlei rare plots dat het heel moeilijk is om je op een of andere rechte lijn in zijn “betoog” te concentreren, als die er überhaupt al is. Wanneer je op het internet gaat zoeken naar bruikbare samenvattingen, kom je al gauw tot de ontdekking dat die er simpelweg niet zijn. Hoe dat komt? Ik denk doordat er niemand is die begrijpt wat Van Vogts bedoeling geweest is. Ik ook niet: het einde was voor mij niet alleen onbegrijpelijk, maar bovendien ultiem vergeetbaar: nu reeds, drie dagen later kan ik me met geen mogelijkheid meer herinneren wat er allemaal gebeurd is. Wat ik wel nog weet is dat het geenszins klopte.

zaterdag 20 oktober 2018

A.E. Van Vogt - Tijd van Leven (MSF 51)



Na een pauze van een half  jaar keer ik weer terug bij de M=SF-serie. Ondertussen heb ik allerlei andere boeken gelezen en de lijst van te lezen boeken groeit alleen maar. Zoveel boeken, ach!, en zo weinig tijd nog. Waarom dan mijn tijd verknoeien met deze reeks? Goeie vraag eigenlijk. Ik weet het niet. Misschien ben ik wel niet goed snik.

Tijd van Leven (Quest for the Future, 1970) werd in 1972 als het 51ste deel van de reeks uitgebracht. De vertaling werd verzorgd door Mieke Groot, onder de naam van Mieke Meuldrager-Ezelin. Het niveau van haar vertalingen wordt allengs wel wat hoger, maar ik vind het nog steeds niet altijd een feest om haar te lezen.

Van Vogt had een lange periode achter de rug waarin hij niet publiceerde: hij had het te druk met zijn werk voor de Scientology-organisatie van L. Ron Hubbard. Van Vogt was een trouw volgeling van het eerste uur. Toen hij zijn stilzwijgen verbrak met onderhavig werkstuk, was hij meer dan een decennium stil gebleven.
Echt nieuw werk is dit boek niet. Het is wat in vakkringen bekend staat als een fix-up: een nieuwe roman samengesteld uit oudere korte verhalen en novelles. In dit geval de drie langere verhalen alle gepubliceerd in Astounding Science Fiction: Film Library (juli 1946), The Search" (januari 1943) en Far Centaurus (januari 1944).

Het resultaat is een ietwat benepen romannetje, geschreven in een onhandige, hier en daar zorgelijke taal die nogal ouderwets aandoet. Zoals ik bij een eerdere bespreking al schreef: Van Vogt straalt weinig schrijfvreugde uit. Zijn houterige taal lijkt welhaast opzettelijk zo armoedig mogelijk gemaakt te zijn. Zoals wel vaker in deze reeks, kan ik niet helemaal zeker weten of dat zorgelijke en onbeholpene nu van de auteur komt of van de vertaalster, maar gezien het feit dat de bulk van deze roman gedurende de Tweede Wereldoorlog als pulp is geschreven, heb ik er wel zo mijn gedachten over.

A. E. Van Vogt
Waar gaat dit boekje over? Peter Caxton, een onsympathieke natuurkundeleraar uit de tweede helft van de 20e eeuw raakt door zijn hebzucht betrokken bij de activiteiten van een groep tijdreizigers. Hij raakt allerlei futuristische uitvindingen op het spoor, zoals een projector die de inhoud van films naar believen kan veranderen in beelden uit de toekomst (en, naar later blijkt een tijdmachine is). Hij neemt de projector mee om hem uit elkaar te halen en te bestuderen. Als hij daarop in het ziekenhuis wakker wordt, is hij zijn geheugen kwijt. Hij reconstrueert zijn afgelopen weken en ontmoet Selanie, een meisje uit de toekomst naar later zal blijken, en de dochter van Claudan Johns, een machtige Bezitter. Bezitters zijn een soort time-lords.
Caxton wordt naar 2083 getransporteerd, waar hij de werkelijkheid ervaart van wat hij op de films gezien heeft. Hij ontdekt een enorm gebouw, dat het Onsterfelijkheidspaleis blijkt te zijn. Hij ontdekt getrouwd te zijn met Selanie. Dan wordt Caxton weer teruggeworpen naar 1970.
Hij voegt zich bij de bemanning van het eerste interstellaire ruimteschip in een poging terug te keren naar 2083, maar dat plannetje faalt. Als ze honderden jaren later aankomen op Alpha Centauri is de mensheid daar allang. De reistijd Aarde-Centauri is teruggebracht naar een luttele drie uur.

Ik raak als lezer een beetje de draad kwijt, maar in de volgende episode zijn we plotseling in het Amerika van 1653, nadat Caxton als verstekeling in de caravan van Selanie (op dat moment nog niet met hem getrouwd) en haar vader is meegereisd. Johns legt de werking van de filmprojector uit. Doordat hij de projector uit elkaar gehaald had, had Caxton het tijdreizen in de war gegooid. Daarna keren ze terug naar 2083. Door al dat getijdreis zijn er nu twee versies van Selanie en Caxton, die aan het eind samengevoegd worden (zodat er nog maar één tijdlijn bestaat). Maar eerst moet er nog worden teruggekeerd naar 1979, door een nauwe koers om een vrijgezel-ster (ik vermoed een soort zwart gat). Daarna reizen ze naar 14 november 9812, het einde van de tijd (maar niet heus).

En dan is, God zij intense dank, het betrekkelijk dunne boekje eindelijk uit. Ik ben in het algemeen niet zo iemand die per se in culturele ontwikkelingen ook daadwerkelijke verbeteringen wil zien: ik geloof niet dat moderne romanschrijvers beter schrijven dan Turgenev of Flaubert, maar ik ben bereid voor de sciencefiction een uitzondering te maken. Ik ben ervan overtuigd dat de moderne sciencefiction, zeg maar vanaf 1970, aanmerkelijk beter geschreven en geplot is, en een veel betere psychologie en sociologie bevat dan de romans uit de zogenaamde “Gouden Eeuw” van het genre.