dinsdag 18 juli 2017

Jack Vance – Onder de Wankh (MSF 25)

Onder de Wankh is het vervolg op Een stad vol Chasch, de lotgevallen van Adam Reith op de waanzinnige planeet Tschai. Na een korte samenvatting van het voorafgaande volgen we onze held en zijn gezelschap die per kogge richting Cath varen om de ontzette maagd Bloem van Jade af te leveren. Zij pleegt echter onderweg zelfmoord en het bezoek aan de Yago van Cath valt daarmee ernstig tegen. Reith reist door naar het gebied van de Wankh, deze keer vergezeld door een stel avontuurlijk ingestelde Lokhaar-technici om daar een ruimteschip te stelen. De poging mislukt en Reith en kompanen lijken ten dode opgeschreven. Op het laatste nippertje weet Reith het de Wankh duidelijk te maken dat hun menselijke onderhorigen, de wankhmannen, die zij als tussenpersonen gebruiken, in feite een ongekende macht uitoefenen over de Wankh. Aldus ontkentent Reith alweer een revolutie: deze keer bevrijdt hij niet een groep mensen van een vreemde overheerser, maar een groep vreemden van een menselijke overheersing. Aan het eind van dit deel is de groep terug bij af. Geen geld, geen plannen, alleen een allesoverheersende drang om een ruimteschip te bemachtigen en terug te keren naar de Aarde, de ware mensenplaneet.

Jack Vance
Het is weer een simpel en amusant stukje space-opera geworden, zonder al te veel psychologische verdieping of uitgebreide sociologische analyses, ook al is het hoofdbestanddeel van ook dit deel niets anders dan de verschillen in sociale orde binnen sterk van elkaar verschillende culturen.

Wat verder nog opvalt in deze vertaling door Mark Carpentier Alting – zozeer zelfs dat het irritant begint te worden - is het veelvuldig gebruik van het bijvoeglijk naamwoord “uiterst”. In dit niet overdreven dikke boek heb ik er minstens zeven gevallen van geteld. Het is een woordje dat een soort precieuze deftigheid uitstraalt, een stoffige schijnprecisie. Ook eerdere deeltjes uit de reeks zijn aan het misbruik ervan ten prooi gevallen. Vonden de hippie-vertalers uit het begin van de zeventiger jaren dit een mooi woord? Ook “hoogst”, met een vergelijkbare ambtelijke vormelijkheid, komt geregeld voor.

Enfin, niettemin leest het makkelijk weg (twee dagen forensen is voldoende) en we kijken alweer uit naar de voortzetting van Adam Reiths avonturen.



woensdag 12 juli 2017

J. G. Ballard - De kristallen aarde (MSF 24)

Dat is wel heel opmerkelijk: twee opeenvolgende deeltjes uit de M=SF reeks zijn allebei geschreven door Britse auteurs en spelen allebei in Afrika. Het zijn ook allebei dystopieën: ongemakkelijke of ronduit angstaanjagende toekomstvisies. Toch zijn er grote verschillen te ontdekken tussen Aardewerk van Brian Aldiss en De kristallen aarde van J.G. Ballard. Aldiss is au fond een optimist, Ballard een pessimist.

Net als de vorige Ballards is deze roman zeer houterig vertaald door Mieke Groot, wederom onder het pseudoniem Mieke Meuldrager-Ezelin. Waarom zij dat onhandige Nederlands nu juist aan dit specifieke pseudoniem koppelt, snap ik niet goed. Haar onder andere schuilnamen verschenen vertaalwerk is weliswaar nergens echt hoogstaand, maar nooit zo knullig als hier. Is het een overdreven respect voor de grote literator Ballard? Of is Ballard zelf eigenlijk gewoon een onhandige schrijver? Laat ik maar weer eens iets citeren:
Sanders nam aan dat hij over de weg naar zijn missiepunt was vertrokken. Maar toen hij aan Radek vroeg waarom ze niet over de weg naar Mont Royal gingen, vertelde de kapitein hem dat de weg was afgesloten.
Drie keer achter elkaar “de weg”. In het Engels stond er:
Sanders assumed that he had left for his mission by road. However, when he asked Radek why they were not approaching Mont Royal by the highway the captain told him that the road was closed. Eén keer een highway ingevoegd, zoals dat hoort. Of wat dacht u van dit hier:
’Bent u niet in orde?’
‘Helemaal niet.’
Uit de context moet blijken dat de aangesproken  persoon juist wél in orde is. Ook hier heb ik even het Engels erbij gehaald. Er stond:
Are you unwell?
Not at all. Hm, denk ik dan.
Stay low (hou je gedekt) wordt vertaald als Blijf laag. Ik ben bang dat de schuldige dus toch echt Mieke Groot is en niet J.G. Ballard. Ik heb in het verleden vaak genoeg betoogd dat een vertaler vooral een goede beheersing dient te hebben van de doeltaal, dat is de taal waarin vertaald wordt, maar vanzelfsprekend is een degelijke kennis van de brontaal ook onontbeerlijk.

J. G. Ballard
Maar goed, waar gaat het boek over? In een, zoals gezegd dystopische wereld lopen in de tropische hitte echte mannen rond, met revolvers en boten: lone wolfs gekleed in kaki. Ik ben geen grote fan van Ballard, maar zijn romans maken wel altijd nieuwsgierig. Tot nu toe werd die nieuwsgierigheid maar schamel bevredigd, vooral ook omdat die onsympathieke Ballard zelf zo vreselijk in het beeld bleef staan, maar in dit deel wordt, althans in het begin het verhaal zelf wat meer ademruimte gegeven en dat is positief, ook al is de meegeleverde wetenschappelijke verklaring voor alle rampspoed weer erg onbevredigend.
Wat is, na de droogte en de hitte en wateroverlast van de eerdere twee delen, deze keer de natuurramp? Dat is waarachtig nog niet zo makkelijk te omschrijven. Kort gezegd valt de wereld ten prooi aan een, door het opraken van de tijd veroorzaakte, kristallisatie. Ja, ik ben het met u eens.

De bedoeling was dat deze kristallisatie de meest fantastische, psychedelische, zestigerjaren lichteffecten zou opleveren in een ijskoude, tropische jungle, maar helaas. Alles is zodanig flets beschreven dat ik me voortdurend eraan moest herinneren dat de effecten verbijsterend en geestverruimend bedoeld waren.

Die kristallisatie is trouwens niet een proces dat zich beperkt tot de aarde, het vindt plaats in het gehele universum. Wat hierbij bijzonder zwak overkomt is het feit dat de mensheid de kristallisatie in het heelal gelijktijdig ziet plaatsvinden: hele sterrenstelsels veranderen in kristal. Wie even de tijd neemt om na te denken over afstanden en de lichtsnelheid, komt al gauw tot de conclusie dat het verschijnsel dus vanuit een buitengewoon aardecentrale optiek geschreven is. Hoe bijzonder dat twee miljoen jaren geleden Andromeda, maar 35 miljoen jaar geleden een ander sterrenstelsel begon te kristalliseren, zodat de eerste tekenen ervan op aarde precies zichtbaar zouden worden op het moment dat het virus (Ballard ziet het als een soort kosmische lepra) zich op de aarde ook vertoont.

Uiteindelijk ontaardt het verhaal toch weer in iets banaals met die nare echte mannen in hun kaki kleren, en met geweren en vrouwen. Net als in de andere twee themaromans van Ballard hebben we te maken met een eenling die tegen beter weten in een reis onderneemt, ergens aankomt en dan zijn ondergang tegemoet gaat. 

Wat mij betreft zijn de verwachtingen uit het begin toch weer niet waargemaakt.

dinsdag 4 juli 2017

Brian W. Aldiss - Aardewerk (MSF 23)


De korte dystopische roman Aardewerk van Brian Aldiss is een verwarrend boek geworden. De bekende thema’s van Aldiss komen aan bod: de funeste invloed van de mens op de natuur – en daardoor op zijn eigen leefomstandigheden. De wereld is veranderd in een grote, door ziekten geplaagde vuilnisbelt. De wereldbevolking is gegroeid naar 24 miljard. In volgepakte steden leven de uitgehongerden in honger en armoede. Wie iets fout doet, welke kleinigheid dan ook, wordt naar de werkkampen van de Boer gestuurd om landbouwer te worden in iets dat doet denken aan de concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog. Uiteraard zijn er ook rebellen. In dit werk heten ze de Reizigers. De westerse wereld is volledig op de knieën en het is Afrika dat nu de dienst uitmaakt.

De hoofdpersoon, Knowle Noland, voormalig Landbouwer, voormalig Reiziger, is nu kapitein van een reusachtig containerschip met een bemanning van vier. Ze brengen soms jaren op de boot door zonder enig contact met andere mensen – alle havens zijn gerobotiseerd . Noland komt in het bezit van vreemde liefdesbrieven tussen een zekere Justine en Peter. Na een fatale menselijke fout strandt en ontploft het schip bij de zuidwestkust van Afrika. Daar raakt hij door het bezit van de brieven tegen zijn wil verwikkeld in de intriges van de Afrikaanse politiek. De man die hij kende als de Boer, blijkt Peter Mercator te heten en is er, samen met zijn vriendin Justine, op uit om middels een moordaanslag op een vooraanstaande Afrikaanse politicus een louterende wereldoorlog te veroorzaken die de slaven zal uitroeien en de Reizigers de kans zal geven om een nieuwe wereld op te bouwen. Na zich lang verzet te hebben, legt Noland zich uiteindelijk neer bij zijn onvermijdelijke rol en het boek eindigt wanneer hij door het vizier van een geweer de president van Afrika zoekt.

Brian W. Aldiss
Noland wordt het gehele boek door geteisterd door hallucinaties die het lezen van deze korte roman tot een verwarrende ervaring maakt. Wel is meestal duidelijk wat werkelijkheid is en wat waanbeeld, maar mij werd niet altijd even helder wat de functionaliteit van die levendige fantasieën nu eigenlijk was. Ik ben trouwens van mening dat droomscènes in de literatuur strikt verboden moeten worden. Er is meer vreemds in het boek aan te treffen. Naast de hallucinaties wordt hij in zijn lucide toestand soms geteisterd door iets dat hij de Gestalte noemt: een spookachtige figuur die hem lijkt te volgen. Volgens Justine verschijnt de Gestalte wanneer Noland dichtbij de dood is.

Hier en daar deed het werk me denken aan dat van J.G. Ballard, misschien ook door de literaire manier van schrijven, die door de vertaling van Dolf Verroen (een echte, literaire schrijver) in aanmerkelijk beter Nederlands gevat is dan de meeste deeltjes uit deze reeks. Alleen wemelt het in zijn vertaling van de overbodige komma’s.

Al met al is het een duister boek gebleven, waarvan ik me afvraag of ik het wel begrepen heb. Vrolijke, gezellige Amsterdam-Westessef was het in ieder geval niet!

maandag 3 juli 2017

Harry Harrison - Doodstrijd in Appsala (MSF 22)


Deathstar II is het tweede deel van de Doodstrijd-cyclus over beroepsgokker, schelm, maar toch ook wel beste kerel Jason dinAlt. Het verscheen in 1965 en in de Meulenhoffreeks als Doodstrijd in Appsala in het begin van de zeventiger jaren.

De avonturen beginnen wanneer dinAlt ontvoerd wordt door een buitengemeen rechtlijnig denkende godsdienstwaanzinnige genaamd Mikah die hem naar een gerechtsgebouw wil brengen om hem voor zijn vele kwajongensstreken te berechten. De doodstraf zal zeker worden uitgesproken, dus moet dinAlt iets ondernemen. Tijdens de ruimtevlucht naar de thuisplaneet van Mikah saboteert hij het ruimteschip en stranden ze op een planeet waar gedegenereerde mensen wonen, de resten van een gestrande bemanning, die een primitieve samenleving van slavernij vormen. Resten van wetenschappelijke kennis worden strikt geheim gehouden door diverse clans en Jason is in staat zich met zijn brede kennis van werktuigbouwkunde en allerlei natuurkundige en chemische processen al gauw een positie te verwerven als een Leonardo in het kwadraat.
Machiavellistisch is hij bezig de wereld in een wetenschappelijke en militaire revolutie te betrekken, daarbij steeds tegengewerkt door de zeloot Mikah.
Veel van het conflict in dit boek handelt over de vraag of begrippen als “goed” en “kwaad” absoluut zijn. Jason vindt duidelijk van niet en als lezer worden we vanzelfsprekend systematisch gemanipuleerd in de richting van zijn standpunt. Mikah komt er in het geheel zo bekaaid vanaf, dat je gaat wensen dat dinAlt een wat waardiger tegenstander had gekregen..
Harry Harrison
Als dinAlt te ver blijkt te gaan in zijn streven om een geschaakte maagd te ontzetten, wordt hij levensgevaarlijk gewond. Hij zou zeker gestorven zijn als hij niet op de laatste bladzijden gered zou zijn door zijn vriendin van de planeet Pyrrhus.

Vergeleken met het eerste deel is het verhaal hier eenvoudiger, en wordt de thematiek ook met een zekere monotonie gepresenteerd. Na een bladzijde of twintig weten we wel dat dinAlt en Mikah fundamenteel anders aankijken tegen begrippen als rechtvaardigheid, goedheid, kwaad. Natuurlijk krijgt arme Mikah geen poot om op te staan en danst de lezer, begeleid door het pijpen van Harrison/dinAlt, rondjes om de log denkende godstdienstkranke Mikah. Ik denk dat het verhaal substantieel zou hebben kunnen winnen als Harrison in plaats van de idioot Mikah een ander type had gekozen: een intelligenter iemand, beter in staat tot discussiëren en niet telkens reagerend vanuit het meest primitieve deel van zijn zenuwcentrum. Zoals het is, lijkt Doodstrijd in Appsala me een beetje een niemendalletje geworden, bepaald zwakker dan Doodstrijd op Pyrrhus, dat een goed doordachte plot had. Als Space Opera is het niet zo slecht, maar het blijft wel een beetje dertien in een dozijn.

dinsdag 20 juni 2017

A. E. Van Vogt – De schakers van Nul-A (MSF 21)

Schakers van Nul-A vormt het vervolg op Gilbert Gosseyns avonturen zoals die beschreven werden in De wereld van Nul-A. Gezien het abrupte begin van deze nieuwe vertelling en de vreemde afwijkingen van plotelementen uit het eerste deel (bijvoorbeeld blijkt de dochter van de president van de aarde plotseling de zuster van de galactische krijgsheer te zijn), denk ik dat hij oorspronkelijk niet van plan was geweest een vervolg te schrijven en dat hij, overgehaald door het grote succes van het eerste deel, snel een tweede deel uit zijn typewriter geramd heeft.

In dit deel gaat Gosseyn verder in zijn ontwikkeling als Nul-A agent. Hij vergroot zijn gaven (telekinese, toekomst lezen), maar wordt tegelijkertijd gedwarsboomd door een grote, onbekende speler die hem tot drie keer toe in de geest en het lichaam opsluit van een prins uit de hofhouding van de grote krijgsheer. Toen uiteindelijk bleek wie die schaakspeler al die tijd geweest is, werd mijn gevoel dat dit boek in elkaar geflanst was met restjes van het vorige, alleen nog maar versterkt.

Alfred E. Van Vogt
Ondertussen schiet Gosseyn van ruimteschip naar planeet, duizenden lichtjaren met één enkele gedachtenoefening overbruggend en her en der opduikend waar het nodig is. Misschien is geloofwaardigheid niet de allereerste eigenschap die je van sciencefiction verwacht, maar een beetje zelfbeheersing in het verzinnen van buitengewone avonturen vind ik toch altijd wel prettig. Ondanks alle pseudopsychologische new-age kanten van het boek, blijkt het uiteindelijk in feite niet meer dan een eenvoudig comic-bookachtig superheldverhaal te zijn geworden maar dan geschreven in een wat pedante stijl die voortdurend de werking van het superieure brein van Gilbert Gosseyn tracht uit te leggen, waardoor de tekst traag wordt en altijd iets belerends heeft.
Een voorbeeld uit honderden (het boek zit namelijk vol met dit soort irritante pedanterieën): “[Ze] leken eigenlijk op deze afstand helemaal niet op gebouwen. Maar omdat hij wist dat dat wel zo was, kon zijn geest de gaten aanvullen.” Eigenlijk beschrijft Van Vogt hier dus gewoon Gestalt. Maar op zo’n kronkelige, circumspecte wijze dat je gerust van gebabbel kunt spreken. Hij had ook kunnen schrijven: “In de verte zag hij gebouwen.”
Dat het Nederlands in dit soort ingewikkelde zinnen onvermijdelijk volloopt met stijlfouten, helpt ook niet bepaald. Het tweede “dat” in “Maar omdat hij wist dat dat wel zo was”, waar slaat dat eigenlijk op terug?

Zoals al eerder opgemerkt, is Van Vogt bepaald geen “schoonschrijver”, ongeacht de kwaliteit van de vertaling. Het is zijn enige bedoeling om dat wat hij denkt, op papier te krijgen. Daardoor doet zijn werk, naast belerend, ook zakelijk aan, maar zonder de autoriteit van iemand die werkelijk weet waar hij het over heeft. Een slap boek dus, dat geen moment spannend is en waarvan het einde steeds verder weg lijkt te liggen, zo taai wordt de schrijfstijl.

Met een zucht van verlichting heb ik het boek gesloten.

dinsdag 13 juni 2017

Jack Vance – De sterrekoning (MSF 20)

Terwijl Jack Vance’s tetralogie over de waanzinnige planeet Tschai nog maar net begonnen is, duwt Meulenhoff met De sterrekoning, het eerste deel van een pentalogie over de Duivelsprinsen, met groot enthousiasme naar voren. Persoonlijk zou ik, als ik redacteur was geweest, eerst Tschai hebben afgemaakt, want bij het verschijnen van deze vertaling had Vance de delen vier en vijf ervan nog niet eens geschreven. Het laatste deel zou zelfs pas tien jaar later uitkomen!

Hoe dan ook: hier dus het eerste deel van wat vijf boeken zullen moeten worden over de eenzame queeste van Kirth Gersen om de vijf Duivelsprinsen Attel Malagate, Kokor Hekkus, Viole Falushe, Lens Larque en Howard Alan Treesong te doden omdat zij in zijn jeugd zijn hele dorp uitgemoord of in slavernij afgevoerd hebben. Zoals zo vaak bij Vance zijn de persoonsnamen fantastisch gekozen. Een sadistische adjudant van Malagate is een zekere Hildemar Dasce die Gersens vriendin Pallis Atwrode kidnapt.

In dit eerste deel moet Gersen om te beginnen Malagate zien te identificeren. Hij kan één van drie personen zijn. Uiteindelijk lukt het hem met list en intrige zijn aartsvijand zich te laten ontmaskeren. Het einde van deze psychopaat is, zoals wel meer in het boek, van een ongekende wreedheid: hij wordt door de inheemse levensvorm van een idyllische planeet aangezien voor een voedselworm en dient als basis voor een nieuw, halfplantaardig wezen.

Jack Vance
De stijl van dit boek is anders dan die in Een stad vol Chasch. Harder, bitser. De eenzame engel der wrake heeft geen tijd voor ontspanning en ontroering, met als opmerkelijke uitzondering de secretaresse Pallis, voor wie hij een vreemde genegenheid opvat. Ik geloof niet zo in de diepte van die genegenheid: ik denk dat die uitsluitend het plot heeft moeten dienen: via haar en Dasce weet hij uiteindelijk Malagate te ontmaskeren. Al met al is het boek eigenlijk een soort in sciencefiction-omstandigheden gesitueerde spaghettiwestern geworden, compleet met de archetypen die zo voortreffelijk vertolkt werden door bijvoorbeeld Clint Eastwood, Lee van Cleef en Eli Wallach.

Het boek was soepel maar laconiek vertaald (zuiver en correct Nederlands blijft een uitzondering in de Meulenhoff-reeks) en maakt dat we met zekere belangstelling uitzien naar het volgende deel.

vrijdag 2 juni 2017

Eric Frank Russell – De grote uittocht (MSF 19)

Wie niet beter zou weten, zou Eric Frank Russell onmiddellijk plaatsen als een Amerikaanse schrijver. Zijn brutale, ironische hard-boiled stijl laat geen ruimte voor twijfel. Toch was hij een Brit, een die zich volmaakt aan de Amerikaanse pulpmarkt had weten aan te passen. Hij was de favoriete schrijver van John W. Campbell, de aartsvader van de Golden Age van de Amerikaanse sciencefiction en uitgever van het invloedrijke tijdschrift Astounding Science Fiction en dat zegt wel iets als je je realiseert dat Campbell schrijvers als Lester del Rey, A. E. van Vogt, Isaac Asimov, Robert A. Heinlein en Theodore Sturgeon voor het voetlicht bracht.

Russells in 1962 verschenen roman The Great Explosion, in de Meulenhoffreeks verschenen als De grote uittocht, sloeg bij mij in als een bom. Natuurlijk was ik al anarchist (ik was immers zestien en had lang haar), maar mijn piekergeest kon maar niet omgaan met het begrip “praktisch anarchisme”: telkens liep het stuk op het punt van macht. Anarchisme werkte alleen maar als iedereen meedeed, niemand uitgezonderd. In het vierde en laatste stuk van De grote uittocht schetst Russell evenwel een anarchistische maatschappij die wel degelijk van zich af weet te bijten: een combinatie van rurale, pacifistische ruilhandel à la Proudhon of Bakunin en van koppig passief verzet op de wijze van Gandhi. Mij overtuigde hij in ieder geval en ik ben zelfs later zijn utopie bij andere, cynischer medestudenten gaan verdedigen. Ik heb nog steeds moeite met autoriteit, maar zie wel met lede ogen aan hoe het linkse, idealistische anarchisme vervangen is door het rechtse, cynische libertarisme. Zo wordt Russel tegenwoordig zowel (en terecht) een anarchistische, als (ten onrechte) een libertarische sciencefictionschrijver genoemd. Heinlein was een libertarische sciencefictionschrijver.

Eric Frank Russell
Dit satirische boek beschrijft een reis naar vier planeten waar de Aarde een consulaat wil vestigen, om het grote galactische rijk eindelijk een beetje structuur te geven. Vrij snel is de eerste planeet afgewerkt: een mislukte anarchie waar geen enkele maatschappelijke structuur heerst en waarvan het zinloos blijkt er een ambassade te vestigen. De vraag of misdadigheid een kwestie van nature of nurture is, wordt niet helemaal bevredigend beantwoord.
Het tweede, langere fragment, brengt het schip naar de planeet Hygeia, bevolkt door naaktlopers. De schimpscheuten over en weer tussen de machtig gezonde body builders van Hygeia en de bleke ruimteschipbemanning zetten de toon van het boek en Eric Frank Russell raakt in zijn element. Vervolgens wordt de derde planeet, Kassim aangedaan, maar omdat die onbewoond lijkt, trekt het immense schip direct door naar de vierde en laatste planeet, K229. Bijna de helft van de uit losse verhalen opgebouwde roman is gewijd aan deze planeet, bevolkt door Gands, genoemd naar Mahatma Gandhi, praktische anarchisten, zoals gezegd.

In dit verhaal kan Russell zich volledig uitleven in zijn favoriete bezigheid: het beschrijven de tegenstelling tussen het slimme, zelfstandig denkende individu en de starre, domme, autoritaire bureaucratie van bijvoorbeeld een leger (zijn eerdere romans Wasp (1957) en Next of Kin (1958) handelen beide over een hondsbrutale kerel die in zijn eentje een complete planeet lam legt). De lenigheid van het denkende individu wint uiteraard altijd en dik ook.

In bijna alle karakters van De grote uittocht kan men slapstick elementen aantreffen, maar onderhuids – en later ook bovenhuids – krijgt de lezer een geducht lesje sociologie. Mijn bovengenoemde problemen met het praktisch anarchisme worden door Russell achteloos opgelost en aan het eind van het boek moet het aardse sterrenschip als de bliksem vluchten, want de hele bemanning dreigt te deserteren teneinde zich op de planeet te vestigen.

Een ideale combinatie van spottende, soms sarcastische humor en een soepele, diepe filosofie, meer heeft een boek niet nodig. De vertaling van E. Kroon-Prins, die eerder al deeltje 10 onder haar hoede genomen had, was niet perfect, maar bederft niet al te veel.