zondag 14 januari 2018

Frank Herbert - De blik van Heisenberg (MSF 42)

Na een vakantie van drie weken (waarin ik niet forens en dus ook geen M=SF lees), eindelijk weer een berichtje van de dwarse SF-lezer. Waar waren we gebleven?

De blik van Heisenberg (The Eyes of Heisenberg, 1966) is een tussendoortje geweest voor de Amerikaanse schrijver Frank Herbert, die ondertussen al voluit bezig was met zijn Dune-epos. Het was oorspronkelijk verschenen als feuilleton in Galaxy Magazine tussen juni en augustus 1966 en nog in hetzelfde jaar verscheen het als boek. De vertaling van deze Nederlandse editie is van Walter B. Relsky (ook dat was Mieke Groot, weet u nog wel?).  De titel refereert aan Heisenbergs onzekerheidsprincipe, één van de hoekstenen van de kwantummechanica, hier ietwat krampachtig toegepast op moleculair en sociologisch niveau.

Deze medische sciencefictionroman speelt in een verre toekomst. De streng gecontroleerde maatschappij wordt bevolkt door twee onderscheiden klassen, de oppermachtige, onsterfelijke optimensen en het gewone volk. Natuurlijke voortplanting bestaat reeds lang niet meer, is zelfs een taboeonderwerp geworden. Flessenkinderen zijn de enige manier tot voortplanting. Elk embryo wordt door een chirurg aangepast tot het aan de norm voldoet: dociel en serviel. Op een dag besluit een chirurg voor een keer niet in te grijpen wanneer er een heel bijzonder, maar geheel buiten de norm vallend embryo ontstaat. Omdat de optimensen alles in de gaten houden en ze middels genocide de zaak in het gareel willen blijven houden, rest er niets anders dan vluchten, de ondergrondse in.

In het geheim worden de optimensen bestreden door een ondergrondse van nauwelijks menselijke cyborgs. Wanneer die cyborgs en enkele opstandige mensen een verbond aangaan, is het snel afgelopen met de optimensen. Door de cyborgs geconfronteerd met allerlei eonenoude taboes zoals natuurlijke voortplanting en direct, fysiek geweld, wordt de zorgvuldig uitgebalanceerde enzymenhuishouding van de duizenden jaren levende optimensen verstoord en binnen een verbluffend korte tijd zijn ze allemaal ofwel dood, ofwel ziek, zwak en onderworpen aan de nieuwe wereldorde.

Frank Herbert
Zoals bij wel meer werk van Herbert, is het kernprobleem ook hier de onvermijdelijke aangeboren kwetsbaarheid van inflexibele statische sociale systemen. Een aantal vaste thema’s uit Herberts werk komt terug in deze roman: de vastgeroeste, op rituelen draaiende maatschappij met een daarbij behorende etiquette is zo’n thema. Ook heeft Herbert wel vaker belangstelling getoond voor exotische en geheime communicatiemethoden. In dit boek is dat het hand-in-hand-taaltje van de twee mensen om wie het hele spul begonnen was. Ook de schijnbare onsterfelijkheid van de optimensen vindt zijn echo in bijvoorbeeld Leto II uit de Dune saga.

Geen bijzonder goed boek, ook niet slecht. Ik herinner me dat ik het bij eerste lezing, midden zeventiger jaren, beter vond dan nu.

woensdag 20 december 2017

Jack Vance – De Dirdir (MSF 41)

De Dirdir is het derde deel van het Tschai-vierluik. Eerder verschenen Een stad vol Chasch en Onder de Wankh. De lotgevallen van Adam Reith op de waanzinnige planeet Tschai nemen een vervolg. Bijgestaan door zijn twee vrienden Traz en Anacho blijft hij proberen een ruimteschip te kopen of te bouwen om terug te kunnen keren naar de Aarde.

Dit deel is vertaald door Warner Flamen, en dat is een pseudoniem van de eindredacteur van de hele reeks: Mark Carpentier Alting. Dat is, naar M=SF-maatstaven, redelijk gedaan. Vance’s vlotte en organische stijl leent zich wel voor soepele en smeuïge vertalingen.

Dit deel brengt de drie vrienden naar de stad Vervodei, waar een ruimtebasis en een uitgebreide onderwereld te vinden is. Vele soorten mensen bewonen de stad, die gecontroleerd wordt vanuit Hei, een zuivere Dirdirstad. In Vervodei is alle te koop, als je maar geld hebt. En dat is het probleem van Adam Reth: hij is bankroet. Uiteindelijk komen ze aan fondsen door in het bij gelukzoekers geliefde niemandsland Carabas op Dirdir te gaan jagen. Met ongeveer tweehonderdtwintigduizend sequijnen hoopt hij een ruimteschip te zullen kunnen gaan bouwen. Daartoe gaat hij in zee met de immorele boef Aila Woudiver, een meedogenloze opportunist die zichzelf beschouwt als een dirdirman en dus gemene zaak speelt met de Dirdir. Uiteindelijk worden de drie reizigers natuurlijk verraden en dreigt er een pijnlijke dood in een Dirdir sportpaleis. Alle rampspoed wordt evenwel afgewend, vooral door Reith’s astute inzicht in Dirdir psychologie en wettenstelsel. Aan het eind van het boek is Woudiver in hun macht en wordt de constructie van het ruimteschip hervat.

Jack Vance
Ook dit deel munt weer uit in wat de Amerikaanse critici zo heel fraai planetbuilding noemen. Met veel aandacht voor details weet Vance de enorme rommelzooi van zes duidelijk van elkaar verschillende intelligente rassen op één planeet op bijna achteloze wijze helder uit elkaar te houden. Nooit slaat de wanhoop toe die slecht geplotte boeken in ons oproepen. Ook op het gebied van de verdere inkleuring van deze vreemde plaats staat Vance met opvallend gemak zijn mannetje. Smaken, stoffen en geuren schudt hij uit de mouw alsof hij geboren en getogen is op Tschai.

woensdag 13 december 2017

Harry Harrison – Bill, de held van de Melkweg (MSF 40)

Bill, de held van de Melkweg, de satirische sciencefictionroman van Harry Harrison uit 1965 vond ik bij herlezing tegenvallen. Nu ja, wat betekent de term “herlezing” in dit geval? Ik las het boek in Domaso, en dat betekent dat het 1972 of 1973 moet zijn geweest – ik gok op het laatste. Ik was een stuurse, anarchistische jongen met lang maar moeilijk haar. Ik was dwars en droeg de hele vakantie in Italië mijn legerdumpkleren, en las een totaal van vijftien boeken.

Het door de ervaren vertaler Frits Lancel nogal slordig vertaalde werk doet een beetje denken aan, maar is van mindere kwaliteit dan, Sam, of de Pluterdag van Paul van Herck (want dat was laconieker en geestiger) of De grote uittocht van Eric Frank Russel (want dat was speelser en geestiger).

Het verhaal is simpel: Bill, een eenvoudige boerenjongen, wordt gerekruteerd in het leger en beleeft vreemde, soms absurde avonturen. Hij weet in leven te blijven en wordt per ongeluk een held. Aan het eind blijkt hij volledig een deel van dat leger geworden te zijn. Het is een beetje Catch 22, maar dan in de intergalactische ruimte. De oorlog die de mensheid voert is tegen de Chingers, een buitenaards ras van zeven voet lange mensenetende reptielen met vier arrmen. Later komt Bill erachter dat de Chingers in werkelijkheid vredelievende, zeven-duim lange wezens zijn, die maar niet begrijpen waarom de mensheid ze zo graag wil uitroeien. Maar dat maakt allemaal niets uit: hij ontdekt dat de oorlog uitsluitend gevoerd wordt om het militair-industrieel complex in stand te houden en dat alles wat op de galactische nieuwskanalen over de vijand gerapporteerd wordt compleet fake-nieuws is.

Harry Harrison
Het is duidelijk: dit boek is typisch zestiger jaren politieke satire. De planeet waar Bill zijn laatste “heldendaad” verricht, een planeet vol moerassen waar alle planten en inboorlingen het ongewenste invasieleger te lijf gaan, doet wel heel erg aan Vietnam denken. De satire zit er zo dubbeldik bovenop, dat het me uiteindelijk meer deed denken aan een politieke strip, van Robert Crumb bijvoorbeeld, of onze eigen Willem, zoals die in bladen als Hitweek of Tante Leny Presenteert verschenen, dan aan een sciencefictionroman.

Een aardig boek, niet extreem leuk, maar wel aardig, dat erom schreeuwt om in zijn tijd geplaatst te worden. Ik noem niet graag iets gedateerd, maar deze roman wil niet anders als gedateerd zijn: in het midden van de zestiger jaren, in de opkomende subcultuur van de popart en underground, uitgesproken tegenstander van de waanzin van het militarisme.

woensdag 6 december 2017

Larry Niven – Neutronster (MSF 39)


Larry Niven is met grote voorsprong mijn favoriete sciencefictionschrijver. Ik heb alles van hem in de kast staan. Menig boek van hem, al dan niet in samenwerking met anderen geschreven, heb ik meerdere malen herlezen. Ik lees hem uitsluitend in het buitengewoon soepele, gemakkelijke Engels dat van hem één der beste stylisten maakt in het genre. Maar natuurlijk was mijn kennismaking met hem in het Nederlands, in 1971, met Neutronster. Ik las het vrij snel nadat het uitkwam en een levenslange liefdesrelatie was geboren. Voordat men denke dat dit een hagiografie gaat worden: vanzelfsprekend heeft hij in de vijfenvijftig jaar dat hij publiceert ook middelmatige en zelfs slechte boeken geschreven.

Politiek gezien is Larry Niven niet geheel zonder controverse. Hij wordt nogal eens beschuldigd van extreemrechtse standpunten. Persoonlijk vind ik die beschuldigingen hogelijk overdreven. Laten we vooropstellen dat Niven ongetwijfeld een republikein is en niet bepaald een progressieve republikein, maar het was zijn vriendschap met sciencefictionschrijver Jerry Pournelle, met wie hij een aantal boeken heeft geschreven, die hem min of meer in de controversiële hoek gemanoeuvreerd heeft. Pournelle was namelijk wel degelijk een extreemrechtse alt-right figuur, die Mussolini bewonderde, milieugroepen haatte en zijn aartsconservatieve en militaristische wereldbeeld nooit onder stoelen of banken stak. In Nivens werk daarentegen is het helemaal niet zo eenvoudig om welke politieke mening dan ook te ontdekken. Niven lijkt me hier een beetje het slachtoffer te zijn geweest van besmetting by proxy: alleen al door zich in te laten met Pournelle is hij verdacht. In zijn boeken lees ik het in ieder geval niet. Integendeel: iemand die zich zoals Niven zo gemakkelijk en empathisch in de psyche en de sociologie van vreemde wezens en maatschappijen kan verplaatsen, kan eenvoudigweg geen fundamentalistische conservatief zijn. Ik denk dat hij veeleer een klassieke libertariër is dan een conservatief.

Al vanaf het allereerste begin bouwt Niven aan een eigen, wat we noemen future history: een tijdlijn binnen welke zijn verhalen en romans zich afspelen. Al schrijvende voegt hij nieuwe elementen toe, waar in latere werken weer aan gerefereerd worden. Deze goed door Ivain Rodriguez de León vertaalde bundel verhalen speelt in zijn geheel in die future history, in een bol van globaal zestig lichtjaren diameter die bekend staat als The known space. Die bol wordt gedomineerd worden twee krachtige rassen, de mens en de kzin, maar er zwerven allerlei andere wezens rond, zoals onder meer de kdatlyno, de buitenstaanders en vooral de poppenspelers. Elk van deze volkeren heeft een uitgebalanceerde psychologie meegekregen die in de loop van decennia alleen nog maar verfijnder zou worden.

Larry Niven
Omdat Niven al schrijvende bouwde aan zijn universum, kon het gebeuren dat hij zich nog wel eens moest corrigeren in een later verhaal. Dat merken we meteen in het eerste verhaal van deze bundel, Neutronster. De albino Beowulf Shaeffer wordt er door de poppenspelers, fabrikanten van de ondoordringbare General Products romp voor ruimtevaartuigen op uitgestuurd om te onderzoeken welke dodelijke kracht door die schijnbaar ondoordringbare romp heen kon komen en de passagiers kon doden. Uiteindelijk komt hij er achter en ontfutselt hij en passant een miljoen sterren van de poppenspelers die de precieze locatie van hun thuisplaneet zozeer geheim willen houden (het zijn intelligente lafaards) dat zelfs de suggestie dat hun wereld geen maan heeft hun veel afkoopgeld waard is. In een veel later verschenen verhaal zou blijken dat de poppenspelers niet alleen wel degelijk op de hoogte waren met getijden en satellieten, maar dat ze zelfs grootmeesters waren op het gebied van het manipuleren van planeten en manen. Nivens verklaring van de afkoopsom in retrospectief is dat ze daarmee juist de suggestie hadden willen wekken dat hun thuisplaneet geen maan had. Zo werkt Niven: hij blijft bouwen en ombuigen en gaatjes opvullen, totdat zijn future history homogeen en chronologisch in orde is.

In Een relikwie van het imperium wordt een bioloog op een verre planeet lastig gevallen door een stelletje ruimtepiraten. Dat zij de curieuze flora van de planeet niet kennen wordt hun fataal. Exploderende bomen, anderhalf miljard jaar geleden ontwikkeld door een verloren gegaan superras, de tnuctipun, maken een einde aan de piraten.

Omdat Beowulf Shaeffer (zogenaamd dus) het geheim van de poppenspelers kent, namelijk dat hun planeet geen maan zou hebben, wordt hij gedwongen om opnieuw een levensgevaarlijke expeditie uit te voeren, dit keer Naar het hart van de Melkweg. Hij ontdekt dat die kern van de Melkweg aan het exploderen is en dat over twintigduizend jaar een golf van straling de gehele bekende ruimte zal gaan steriliseren. Bij thuiskomst blijken alle poppenspelers meteen vertrokken te zijn, naar de Andromeda-Galaxy misschien, wie weet? Poppenspelers zijn lafaards, dat is waar, maar ze zijn wel volstrekte realisten. Dus nemen ze de benen bij de eerste aanwijzing van gevaar. Over twintigduizend jaar zullen de mensen en de kzin een massale, chaotische aftocht moeten organiseren, terwijl de poppenspelers dan alweer een heel stuk verder in de richting van de veiligheid zijn. Is dat, zo vraagt Niven zich af, niet ook een vorm van moed?
Dit verhaal is ondertussen wetenschappelijk volledig achterhaald. De kernen van melkwegstelsels bestaan niet uit sterren die zo dicht bij elkaar staan dat een supernova een kettingreactie kan veroorzaken, maar uit superzware zwarte gaten. Als je, zoals Niven, zo dicht mogelijk bij de nieuwste ontwikkelingen op natuurwetenschappelijk gebied probeert te blijven, kan zoiets je overkomen. Schouders ophalen en verder gaan.

Sciencefiction met een archeologische insteek is altijd een favoriet bij mij geweest. Dus is Het zachte wapen ideaal geschikt voor mij. De poppenspeler Nessus en zijn twee menselijke reisgenoten worden onderschept door een groep kzin-piraten die het op hun stasiskist voorzien hebben. De tnuctipun en de slavenhalers hebben tijdens hun totale vernietigingsoorlog van 1500 miljoen jaar geleden her en der tijdloze kisten achtergelaten met technologie, informatie en wat niet al. Nessus heeft er een gevonden en de kzin pikken hem in. Het blijkt een stasiskist van een tnuctip-spion te zijn en uiteindelijk stuiten de piraten onvermijdelijk op de zelfvernietigingsknop van het zachte wapen. De mensen overleven het omdat ze sluw zijn. Nessus overleeft ook. En dat is maar goed ook, want hij moet in de beroemde latere romancyclus rond Ringworld een hoofdrol gaan spelen. En nog weer later in zijn prequel Fleet of worlds.

In Vlaklander komen we Beowulf Shaeffer weer tegen. Deze keer ontmoet hij de rijkste man van het universum, die zijn zinnen erop gezet heeft, de vreemdste planeet van de bekende ruimte te bezoeken. Hij koopt de informatie van de merkwaardige buitenstaanders, een ras dat bij de temperatuur van vloeibaar helium leeft en handelt in informatie. Voor een extra bedrag willen ze ook vertellen waarom die planeet de vreemdste is van de bekende ruimte. De rijkaard gaat daar niet op in, met bijna fatale gevolgen. Ondertussen komen we weer een manier te weten om de schijnbaar zo onverwoestbare General Products romp te slopen.

Verreweg het zwakste verhaal is De regelen der waanzin, over een man die een misdaad begaat en daarom tot het einde van het universum achtervolgd wordt. Het verhaal voegt weinig of niets toe aan het Niven-universum en is lang, langzaam en saai.

Veel korter is De misdeelden, een laconiek verhaal over het ondenkbare: namelijk dat de anderhalf miljard jaar oude slavenhalers, gemuteerd en al, nog steeds blijken te bestaan, nu als sedentair levende, telepathische dieren.

Llobee, ten slotte, is weer een verhaal met Beowulf Shaeffer, die een ontvoerde kdatlyno beeldhouwer bevrijdt. Een typisch Niven verhaal met veel spitsvondigheden, goed uitgewerkte karakters en een onweerstaanbaar mooie vrouw van driehonderd jaar oud.

In deze verhalen komen we geen makkelijke oplossingen tegen, geen Ballard-achtige fopspenen. Hier zijn goedgeschreven gestructureerde harde sciencefictionverhalen, waarvan de plots en de psychologie kloppen en waarin een sense of wonder heerst die mij al vijftig jaar betovert. De diep doordachte clous sprankelen en tintelen, en worden vaak afgesloten met een kleine laatste twist waar wij als lezers al helemaal niet aan gedacht hadden. Niven geeft ons daarbij niet het gevoel dat we in de maling genomen zijn, maar dat hij en ik, op ons niveau, op voet van gelijkheid deze slimheid hebben uitgedacht. Dat is sympathiek, dat bindt.

maandag 27 november 2017

Leonard Daventry – Een man die dubbel deed (MSF 38)

De Brit Leonard Daventry (1915-1987) blijft een beetje vaag: ik heb op het internet geen portret van hem weten te vinden. Hij was een man van vele beroepen, literair gezien een autodidact. Zijn eerste werk verscheen in de oorlog en pas in 1965 verscheen met Een man die dubbel deed zijn eerste roman, de eerste in een reeks over de telepaat Claus Coman die in een post-apocalyptische wereld de strijd aanbindt met krankzinnigen en moordenaars, maar het is deze eerste, in veler ogen een nogal vlakke roman waarmee hij zich een plaats in de sciencefictiongeschiedenis heeft weten te verwerven.

Deze roman is door Warner Flamen een beetje raar vertaald. Het lijkt erop dat hij nogal eens stukjes typisch Brits idioom vrij letterlijk naar het Nederlands heeft overgezet. Van de drie keer dat in het Engels het woord pathetic voorkwam, zou hij het mijns inziens in minstens twee gevallen beter met belachelijk hebben kunnen vertalen dan met pathetisch. Zo waren er meer van dat soort kleine momentjes bij de lezer.

Nadat de geoloog en mineraloloog Claus Coman ontdekt heeft dat hij over telepathische gaven beschikt, is hij toegetreden tot een groep sleutelmensen die werken voor de wereldregering. Het is 2090. De wereld is nog steeds aan het bijkomen van De Ramp van 1990. Er dreigt nu een nieuwe ramp. Jongeren gaan amok en doden dagelijks duizenden mensen, een dreiging die helaas niet verder uitgewerkt wordt, doch slechts een gegeven blijft. De wereldregering wil een buitenaardse straf/overlevingskolonie instellen speciaal voor die jongeren. Eén belangrijke man is nog niet overtuigd en Coman moet hem zien te spreken te krijgen om hem te overtuigen. Dat gaat gepaard met gevaren van tegen-telepaten en moordenaars, maar uiteindelijk slaagt hij natuurlijk.

In de verte deed de roman me een beetje denken aan de Nul-A romans van Alfred Van Vogt, alleen een stuk beter geschreven. Ik begrijp de lauwe waardering ervoor dan ook niet helemaal. Bij boekensites als Goodreads krijgt het vaak maar 2 van 5 sterren. Het is, toegegeven, niet een blockbuster van een avonturenroman geworden, maar het is meer dan gemiddeld intelligent en de psychologie van de telepaat wordt goed uitgewerkt. Veel van de slechte kritieken komen voort uit twee belangrijke punten die tegen het boek pleiten. Ten eerste blijken de ware sciencefictionelementen in het boek inderdaad nogal naïef (het is bijvoorbeeld relatief eenvoudig om op Venus of Mars in leven te blijven, Mercurius wordt uitgebreid geëxploiteerd en sinds kort zijn er zelfs interstellaire wezens op komen dagen, met name van de ster Fomalhaut, wezens die vreemd genoeg verder slechts een voetnoot in het verhaal vormen). Ten tweede is ook in deze roman de vrouwenemancipatie weer niet verschrikkelijk doorgedrongen. Coman heeft (slechts!) twee vrouwen, Jonl, een half-telepatische geheimzinnige jong middelbare vrouw en de veel jongere Sein, die aan het eind van het verhaal reeds zwanger blijkt te zijn. En passant ontwapent Coman met zijn seksuele raffinement ook nog eens een telepatische agente van de vijand.

Het is een roman die eigenlijk alleen in de zestiger jaren van de vorige eeuw geschreven kon worden, tegelijk traditioneel en vooruitstrevend, tegelijk vervuld van geweld en van bijna metafysische liefde. Als zodanig heeft het boek beslist zijn zwakten. Toch vond ik het een aangename leeservaring.

maandag 20 november 2017

J. G. Ballard – Doodlopend strand (MSF 37)

Het vierde boek van Ballard in de Meulenhoffreeks is een verhalenbundel geworden: Doodlopend strand, helaas weer onhandig vertaald door Mieke Groot, die onder haar vaste Ballard-pseudoniem Mieke Meuldrager-Ezelin blijkbaar een claim op deze Britse schrijver heeft gelegd. Voor deze vertaling is de (ingekorte) Amerikaanse uitgave gebruikt.

Hoewel alle verhalen in deze bundel oorspronkelijk in de toonaangevende sciencefictiontijdschriften verschenen zijn, zitten er tussen die met de beste wil van de wereld niet tot het genre gerekend kunnen worden. Weinig toekomst, ruimtewezens of machines te bekennen. Wel veel, heel veel menselijk tekort, zoals we bij Ballard gewend zijn.

Verhaal 1, Eindspel, is een Kafka-achtig geheel dat blijkbaar in een soort heden speelt. Konstantin is ter dood veroordeeld en zit in een wachthuis met zijn beul, Malik. Namen die een land als Tsjechoslowakije suggereren. De twee spelen schaak en Konstantin probeert Malik ervan te overtuigen dat hij onschuldig is. Tegen het einde, nadat Konstantin voor het eerst een partijtje schaak van zijn beul heeft weten te winnen, wordt hij naar buiten geleid. “Wie overtuigd is van zijn eigen onschuld, is schuldig” is de ietwat cryptische slotopmerking van de beul.
Het vertoonde schaak is niet geweldig en Ballard merkt ergens op dat het een wonder was hoe Malik in een zo simpele opening als het Spaans binnen tien zetten zo’n overwegende stelling kan opbouwen. Welnu: het Spaans is zo ongeveer de moeilijkste opening in het hele spel. Vreemd dat.

Het tweede verhaal Onder de bewustzijnsdrempel speelt tenminste in iets dat doet denken aan toekomst. Het is een scherpe satire over de consumptiemaatschappij, maar voelt een beetje routinematig aan. De conclusie komt niet echt als een verrassing. Dat had Paul Van Herck met zijn Sam, of de Pluterdag (MSF 14) beter aangepakt!

Het derde verhaal heet De laatste wereld van de heer Goddard, en dan weet je eigenlijk al wel wat er gaat komen. Dat klopt ook: meneer Goddard is inderdaad God.

De tomben des tijds is een niemendalletje geworden over toekomstige grafrovers op de maan. Misschien heb ik het met te weinig aandacht gelezen, maar mij ontging de clou.

In Nu ontwaakt de zee treffen we een man die, als enige, ’s nachts de opkomende zee ziet verschijnen in de stad, duizend mijl in het binnenland. Het blijkt een zee van honderdduizenden jaren geleden te zijn. Zijn botten worden in een mijnschacht aangetroffen en als Cro Magnon geïdentificeerd. Ook dit verhaal is een beetje een niemendalletje: een soort tijdreis/horrorverhaaltje waarin helemaal niets verklaard wordt, alleen maar gesuggereerd.
(Ik trof nog een vreemde vertaalmisser aan in dit verhaal: het Engelse pre-raphaelite komt er in het “Nederlands” van Mieke Groot uit als voor-raphaelitisch. Ik had deze kunststroming nog nooit zo horen noemen en dat klopte: prerafaelitisch moet het zijn.)

J.G. Ballard
De Venusjagers lijkt het centrale verhaal van de bundel te zijn: het is met veertig pagina’s het langst. Ook dit is weer zo’n typisch Ballard-verhaal waardoor ik zo’n hekel aan hem begin te krijgen. Het gaat weer geheel volgens zijn bekende stramien: er wordt een interessant decor geschetst, waarin veel gesuggereerd wordt. Dan gebeuren er een paar dingen. Daarna gebeuren die dingen niet meer. Uit.
In dit geval ontmoet een natuurkundige een man die een ruimteschip heeft zien landen. Hij begint te geloven dat de man niet liegt. Dan ziet hij zelf ook een ruimteschip landen. Dan gaat hij weg. Dat is alles. Niets wordt uitgewerkt en de nachtkaars flikkert ook deze keer weer nauwelijks merkbaar na.

Het wordt eentonig: in Eén doorhalen worden we weer met een raadsel opgezadeld dat vervolgens niet bevredigend wordt opgelost.

In aanleg het interessantste verhaal, Opeens in de middag, wordt ook weer op dezelfde manier om zeep geholpen. Verwachting scheppen, verbanden en invloeden suggereren, om vervolgens via een clou-wending die niets verklaart een versneld einde aan het verhaal te fabriceren.

Zou het met het laatste en titelverhaal Doodlopend strand  beter gaan? Wat denkt u zelf? Ik ben er moedeloos van geworden.

Veel van deze verhalen wekken de indruk dat Ballard eigenlijk een beetje gemakzuchtig is, dat hij vindt dat de verhalen zoals ze zijn wel voldoende zijn voor zijn lezerspubliek. En misschien was dat vijftig jaar geleden ook wel zo. Nu bevredigt die instelling niet meer en blijven er alleen maar luie pretenties over.

zondag 12 november 2017

Thomas M. Disch - Kamp Concentratie (MSF 36)

Na de vrolijke en niet al te diepgravende avonturenverhalen van deeltjes 34 en 35, tapt de redactie van de Meulenhoff SF-reeks met Kamp Concentratie van de erkende somberaar Thomas Disch uit een heel ander vaatje. Hier hebben we een loodzwaar, somber, surrealistisch en uitermate literair werk - je vraagt je af of dit eigenlijk nog wel sciencefiction mag heten. Het is meer verwant aan het surrealistische werk van bijvoorbeeld Stefan Themerson, of, vooruit, aan Het Evangelie van O. Dapper Dapper van W. F. Hermans.

Bij dit nadrukkelijk talige boek betreur ik het dat ik het niet in het Engels heb gelezen. Ik vermoed dat er heel wat mooie taalspelletjes verloren zijn gegaan in de ietwat onbeholpen vertaling die doet vermoeden dat de oorspronkelijke Engelse tekst voor vertaler Fred Schmidt een klein beetje te moeilijk was. Het is dan ook wat hem betreft bij dit ene boek gebleven. Het Engels van het origineel is een stuk helderder en eleganter dan zijn Nederlands, dat loopt te ploegen als door vette klei. Wel verkrijgt de tekst daardoor een soort gravitas, maar dat is niet helemaal zoals het oorspronkelijk bedoeld lijkt.

Het verhaal: dichter en gewetensbezwaarde Louis Sacchetti wordt overgeplaatst naar een plaats die Kamp Archimedes genoemd wordt. Daar worden de gevangenen geïnjecteerd met een aan syfilis verwante bacterie die de besmette proefpersonen in korte tijd zeer veel intelligenter maakt. Nadeel is wel dat de dodelijke syfilisverschijnselen versneld plaats vinden en de proefpersonen binnen negen maanden sterven.

Het boek wordt gepresenteerd als Sachetti’s dagboek en het doet aanvankelijk denken aan Flowers for Algernon, ook een dagboek van een ik-persoon wiens proces van nieuwverworven intelligentie nauwgezet gevolgd wordt. Rond het midden ontaardt het werk echter in een explosie van associaties, allusies en citaten – het wordt een waar stuk undergroundliteratuur. Tegen het eind volgt de berusting maar daarna juist opeens een jubelende extase, omdat medegevangene Mordechai Washington met zijn alchemistische kunsten erin geslaagd was om de briljante geesten van de zieke gevangenen in de schedels van hun bewakers te implanteren.

Thomas M. Disch
Het is een zeer intellectueel boek: literatuur, filosofie, alchemie, beeldende kunst, theater, muziek, maar ook de geschiedenis van het nationaalsocialisme komen erudiet en enigszins elitair aan bod. Het is een name-dropping van jewelste. Marlowe’s Faust, maar ook die van Thomas Mann komen ter sprake, Mordechai Washington wordt vergeleken met Mefistofeles. In een absurdistische droom komt Thomas van Aquino langs. We lezen de poëzie van Sacchetti, lichtjes geënt op die van de Beat poets.

Uiteindelijk blijkt de gehele wereldbevolking besmet te zijn met de ziekte en net als bij De uitroeiers een eerder in de reeks van Meulenhoff verschenen roman van Disch, staat de mensheid er aan het eind slecht voor. Reddeloos eigenlijk. Hoe de vreugde van de getransplanteerde gevangenen daarin in te passen valt, wordt niet verder uitgewerkt.