zondag 6 maart 2022

Harry Harrison - De rat van roestvrij staal/De stalen rat neemt wraak (MSF 76)

Dit deel in de reeks bevat twee romans in één band. The Stainless Steel Rat verscheen al in 1961 en The Stainless Steel Rat's Revenge pas in 1970, blijkbaar toen het eerste deel een groot succes was geworden. Daarna zouden nieuwe delen elkaar in hoog tempo opvolgen. Wie de deeltjes leest vraagt zich af waarom. Het is allemaal heel gemakzuchtige pulp, met clichématige personages die nooit echt tot leven komen. Het bij tijd en wijle zeer belabberd Nederlands van vertaler Werner Flamen draagt niet bepaald bij aan het genot.

Deze romannetjes zijn zo licht dat ik haast begin te vermoeden dat ze als parodie bedoeld zijn. Maar waarom dan de serie uitbreiden tot twaalf delen? Juist ja: geld waarschijnlijk. Ergerlijk in het veel te wensen overlatende pseudo-hardboiled toontje van de boeken is het veelvuldig gebruik van het laconieke nogal als in: ‘Hij sloeg me en het deed nogal pijn’. Het is goed mogelijk dat Harrison zelf hier de hoofdschuldige is, en dat hij in het origineel (ik heb het niet gecontroleerd) om de haverklap rather gebruikte.

James Bolivar diGriz, alias Gladde Jim ofwel De roestvrij stalen rat is een zeldzaam dier. In een tijd van sneller dan licht ruimtevaart is hij een ouderwetse con-man: een confidence trickster die zich, hoppend van planeet naar planeet verrijkt te koste van onnozele figuren en starre maatschappelijke systemen. Zijn laatste bankoverval mislukt echter en hij wordt gearresteerd door wat een organisatie blijkt te zijn van interplanetaire misdaadbestrijding. Hij wordt geronseld en moet afrekenen met een moordlustige ruimtepirate, Angelina, op wie hij prompt verliefd wordt, ook al schiet ze hem een keer overhoop. Vrouwen komen er traditiegetrouw niet al te best van af, ondanks dat de hoofdboef er een is. Ook zij wordt toch voornamelijk beoordeeld op haar lange blonde haren en uitnodigende boezem.

Harry HarrisonIn het tweede deel is hij getrouwd met Angelina en samen gaan ze een complete planeet te lijf die zonnestelsel na zonnestelsel verovert. Deze roman lijkt in eerste instantie een inferieure vorm te worden van Wasp, het ingenieuze verhaal van Eric Frank Russell uit 1957, waarin een sluwe eenling het opneemt tegen een logge en niet erg snuggere, agressieve beschaving. Maar onze held hier mist iedere finesse en Harrison is ook niet bepaald ironisch of sarcastisch, zoals Russell. Halverwege wordt het Wasp-scenario geheel losgelaten en ontaardt de roman in een potje binnendringen, gevangen gezet worden en weer ontsnappen, nog steeds met de vrouwtjes lijdzaam toeziend en welvoorzien van tieten en kont.

De toekomst van Harrison is nog een ouderwetse: computers werken met ponskaarten, iedereen rookt erop los en de misogynie voelt onplezierig vertrouwd aan. Hoewel hij vaker de neiging had pop-pulp af te scheiden, kon Harry Harrison veel beter, dat bewijst een boek als Doodstrijd op Pyrrhus, waarin door de schrijver wel degelijk goed is nagedacht. Ik ben blij dat Meulenhoff het bij deze twee eerste delen heeft gelaten.

vrijdag 28 januari 2022

Arthur C. Clarke - Stad onder de sterren (MSF 75)

Ook deel 75 van de serie is een jeugdwerk van iemand die uiteindelijk een heel grote naam zou worden in de sciencefictionwereld. City and the Stars, in het Nederlands Stad onder de sterren is een bewerking van Clarke’s eerste roman, begonnen in de 1937 en voltooid in 1946. Een boek waar hij allengs ontevredener over werd. In een voorwoord (niet in de Nederlandse uitgave opgenomen) schrijft Clarke: For the benefit of those who have read my first novel, Against the Fall of Night, and will recognize some of the material in the present work, a few words of explanation are in order […] Although this work was well received, it had most of the defects of a first novel, and my initial dissatisfaction with it increased steadily over the years. […] About a quarter of the present work appeared in Against the Fall of Night. Toch wel aardig om te weten, dacht ik zo. 

De vertaler van deze roman was een zekere Knut Azimuth, Dat is natuurlijk een pseudoniem. Zelfs de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek lost de schuilnaam niet op. Aangezien het Nederlands van deze vertaler heel behoorlijk is (één of twee missertjes slechts), vermoed ik dat er zich een vrij bekende schrijver achter deze naam verschuilt die liever niet met het genre geassocieerd wil worden. 

Diaspar (wat een anagram is van paradis en in klank een beetje lijkt op despair) is de stad waar de gehele mensheid zich op aarde (en in het heelal) heeft teruggetrokken, na op kennelijk hardhandige wijze door een ras dat de Binnendringers genoemd wordt, terug in haar hok gemept te zijn. De minstens één miljard jaar oude stad is volledig regenererend, zowel wat levenloze als wat levende inhoud betreft. De mensen worden gefabriceerd volgens bestaande computerprogramma’s, leven duizend jaar en worden weer gewist, om later naar behoefte opnieuw in het leven te worden geroepen. De buitenwereld, die taboe geworden is, is onbereikbaar door een ondoordringbare afscherming van de stad. De rest van de Aarde is oud, verdord en dood - de oceanen zijn verdampt. Dit is een soort scenario dat natuurlijk schreeuwt om een eenling die de ingeroeste gewoontes trotseert en daar hebben we Alvin, een unieke persoon die nog nooit eerder bestaan heeft en die met de hulp van de nar Khedron, die trouwens niet grappig is, naar buiten weet te ontsnappen. 

Ook als tweede poging is het een boek geworden met positieve en negatieve kanten. Het begint plezierig genoeg: overtuigend wordt een heel verre toekomst geschetst met vele onbegrijpelijke technologieën die op mij best geloofwaardig overkwamen. De premisse dat de stad één miljard jaar (= tien omwentelingen van de Melkweg) oud is, kan met voortschrijdend inzicht niet kloppen, want één zo’n omwenteling duurt tussen de 200 en 250 miljoen jaar. In de tijd van Clarke wist men dat kennelijk nog niet. Ook slechts één miljard jaar klinkt al wel een beetje vergezocht, maar vooruit, laten we maar aannemen dat zoiets kan. 

Lastiger wordt het te geloven in een tweede mensengemeenschap, die zich buiten Diaspar bevindt. Deze gemeenschap, genaamd Lys wordt niet gereguleerd door een grote centrale computer. Mensen worden geboren, paren en sterven: ze zijn natuurlijk gebleven, onveranderd, ook na al die miljarden jaren. En dat nu vind ik een beetje te onwaarschijnlijk.

Arthur C. Clarke
Daarna wordt het allemaal nogal verward. Het verhaal wordt afgeraffeld. Alvin vindt een robot die het knechtje was van de Meester, daarna het ruimteschip van diezelfde Meester. Hij gaat samen met een nieuwe vriend uit Lys op weg naar de Zeven Zonnen aan de andere kant van de Melkweg en ontdekt de oorsprong van de angst van de mensheid voor een kosmische macht die nooit bestaan heeft en dus mythisch blijkt te zijn en ten slotte verenigt hij de mensheid van Diaspar en Lys met elkaar. Als ik het goed begrepen heb is het boek een pleidooi tegen het rationele en voor het gevoelsmatige. 

Ondanks dat het boek soepel geschreven is en in een paar dagen uitgelezen werd, kan ik niet beweren dat ik aan de bladspiegel gekluisterd heb gezeten. Daarvoor was het allemaal een beetje te dor, te braaf. Ook vind ik het nogal gemeen om een antiwetenschapsboek zo vol te proppen met allerlei smakelijke brokjes toekomstwetenschap. Ik hoop dat Meulenhoff nu met een paar brutalere werkjes komen zal…

woensdag 12 januari 2022

Jack Vance – De stervende aarde & Het laatste kasteel (MSF 74)

Wie dit blog een beetje volgt weet dat ik een fan ben van Jack Vance, en dan met name van zijn onnavolgbare vermogen met een paar pennenstreken een wereld te schetsen, compleet met een binnen die wereld logische, geloofwaardige sociologie. Wie dit blog een beetje volgt weet ook dat ik weinig respect heb voor gevestigde namen en ieder boek onbevangen de maat probeer te nemen, ongeacht de auteursnaam.

Welnu, ik concludeer dat dit, het 74e deel van de Meulenhoffserie, geschreven door Jack Vance, een heel slecht boek is. De oorspronkelijke Engelse tekst vind ik al matig, maar de haastige en niet erg aandachtige vertaling van Warner Flamen verricht ook nog eens veel schade. We worden getrakteerd op een onoverzienbare lawine van tegenwoordige deelwoorden, de vloek van het luie vertalen. Mijn lerares Engels op de middelbare school verbood ons om tegenwoordige deelwoorden één op één te vertalen. Echt bont wordt het in zinnen als: De vloer snel overstekend, knielde Guyal neer en luisterde. Terwijl hij overstak knielde hij dus? Dat moet een koddig gezicht zijn geweest! Vance is zelf medeschuldig; het origineel luidt: Crossing the floor swiftly, Guyal kneeled and listened.

Vance was nooit een groot psycholoog, ook in meesterwerken als de Tschai-cyclus niet, maar zeker niet in dit jeugdwerk. Zijn helden waren ook later op hun best zelfverzekerde bruten met slechts mondjesmaat een beetje twijfel. De boeven waren clichématige boeven, onbetrouwbaar, snobistisch en wreed. Hun zielenwereld liet zich uitdrukken in goudstukken. De werelden waarin Vance zich het meest thuis voelde leken sterk op de Italiaanse renaissance, met prinsen en hofnarren, hooghartige ridders en geniepige gifmengers, pompeuze kooplieden met bont en veren en vrouwen met een beschadigde eigen wil die uiteraard door de held voortreffelijk te repareren was.

Het hoofdwerk van dit MSF-deeltje, De stervende aarde, bevat 6 verhalen die allemaal in dezelfde verre toekomst spelen. Tot mijn verbazing wordt het algemeen als een meesterwerk beschouwd. Ik ben geen liefhebber van fantasy, daar zal het aan liggen.

De menselijke beschaving is teruggevallen naar een soort middeleeuwse maatschappij, waar de wetenschap vervangen is door magie, maar die magie is ook langzamerhand aan het verdwijnen. Er wordt weer paard gereden, wijn wordt weer uit bokalen gedronken, jonge mannen hebben weer een (reis)doel om hun status als man te verdienen. Ondertussen is de zon gegroeid en rood geworden, een omstandigheid die de verhalen dus enkele miljarden jaren in de toekomst moet plaatsen. Een omstandigheid bovendien die verder in de verhalen geen enkele rol speelt. Ik zal niet gedetailleerd ingaan op die verhalen. De sfeer is consistent, hier en daar melancholiek en meestal een tikkeltje somber.

Soms lijkt het of de jonge Vance zijn hand volledig overspeelt. In het laatste verhaal maakt Guyal (die knielend overstekende jongeman) contact met een machine vol met kennis via een zodanig potsierlijke opeenvolging van moeilijke, dikdoenerige, betekenisloze termen, dat we ons niet konden inhouden van het grinniken. Ik citeer meestal niet al te veel in deze verslagen, maar dit keer kan ik de verleiding niet weerstaan: Onder welk opschrift zouden we moeten zoeken? Neem deze categorieën eens in overweging: Demonenlanden; Moord en dood; Uitbanningen en oplossingen van kwaad; Geschiedenis van Granvilunde (waar zo'n entiteit verstoten werd); Attractieve en detractieve hyperordnetten; Therapie voor hallucinanten en geestbezetenen; Constructief journaal, ingang voor regeneratie van gebarsten wanden, onderafdeling voor invasie door demonen; Proceduresuggesties voor riskante tijden... Ja, al deze en nog duizend andere.

De jonge Jack Vance
Dat de redactie naar dit jeugdwerk gegrepen heeft, begrijp ik niet goed. De latere, rijpe Jack Vance is hier en daar natuurlijk best in aanleg aanwezig, maar vaker zien we een zoekende beginner, die in soms levenloos proza (maar dat kan door de vertaler komen!) een heel staketsel opbouwt van clichématige fantasy-motieven. Of was hij de eerste die deze motieven introduceerde en zijn ze later pas cliché geworden?

Het tweede deel, de prijswinnende novelle Het laatste kasteel is aanzienlijk beter, maar kan het boek niet echt redden. Na eeuwenlang uitgevlogen te zijn geweest naar de sterren is de mensheid teruggekeerd naar de Aarde. Ze heeft allerlei buitenaardse wezens meegenomen, om te dienen als knechten. Een van die soorten, de Meks, komt in opstand en begint de kastelenmaatschappij van de mensheid te bestrijden. De Meks worden uiteindelijk verslagen en de mensheid beseft dat zij, om te overleven, zich los moet maken van de eeuwenlang vastgekoekte rituelen en gewoonten.

Dit verhaal is iets beter (minder gehaast) vertaald en daardoor beter te pruimen, maar een echt hoogstandje wordt het nergens.

zaterdag 15 mei 2021

Colin Kapp – Dalroi en de zwarte ridders (MSF 73)

Ergens in de tachtiger jaren wilde Meulenhoff kennelijk van zijn restanten af en konden we in de kantoorboekhandels (annex tabakswinkels) van Amsterdam-West voor een klein prijsje verrassingspakketten van de MSF-reeks aanschaffen. Voor een tientje of zoiets kreeg je dan 6 paperbacks als blok in cellofaan verpakt. Een kloeke aankoop. Ik heb toen vier of vijf sets aangeschaft. Natuurlijk zaten daar titels bij die mij niets zeiden. Dit, het 73e deel was er zo een. Een onbekende schrijver, een foute titel (ik had een hekel aan Fantasy, toen al!) een lelijk en goedkoop omslagontwerp. Wekt het verbazing dat het dertig jaar later, bij de laatste verhuizing, eindelijk ongelezen het kringloopcircuit in ging? 

Alles aan de productie van dit boek was een vergissing. De titel op zich al: de oorspronkelijke titel Transfinite Man werd dus iets vaags en onnozels met zwarte ridders. Ik was volledig op het verkeerde been gezet, want met fantasy heeft dit boek helemaal niets te maken. Integendeel: het is een soort dystopische thriller met hoofdpersoon Ivan Dalroi, die qua karakter ergens tussen Kirth Gersen en Gilbert Gosseyn gezocht moet worden, maar dan beschreven door een naïeve en onhandige schrijver. De held van dit boek is nog niet bij benadering zo interessant en goed beschreven als die van Jack Vance, of zelfs maar die van Van Vogt. 

Een goed boek is deze door Mieke Groot onder het bekende pseudoniem Walter B. Relsky voor haar doen redelijk vertaalde roman dus bepaald niet. De overvloed aan geweld is uitermate cartoonachtig en doet me een beetje denken aan de meer primitieve computerspelletjes die sedert decennia in omloop zijn. Wat mij vooral onaangenaam en ongeloofwaardig trof in het eerste deel was het eindeloze gebabbel van Dalroi, die zijn diepste gevoelens en beweegredenen, twijfels en sarcasmen vrijelijk deelt met al zijn tegenstanders. Dit geeft geen vertrouwenwekkende indruk. De plot van het boek is bespottelijk. Een vage organisatie genaamd Ontspoorlijn (in het Engels: Failway), beheerd door nog vagere zwarte ridders(geloof ik), biedt miljoenen mensen in de zogenaamde transfiniete ruimte een droomervaring aan, maar is in werkelijkheid het kwaad op aarde, en Dalroi, die meer dan menselijk is (maar niet weet in welk opzicht) is erop uit die organisatie te vernietigen. Of dit beeld ergens voor staat (de televisie, de drugswereld) ik heb geen idee. Alles is zo rommelig en à propos in elkaar gezet dat er geen touw aan vast te knopen valt.

Colin Kapp
Ongeveer op een derde wordt het boek ineens experimenteel en psychedelisch, en lijkt het nog het meest op het werk van een middelbare scholier die stuntelig Philip Dick met Hugo Raes probeert te combineren. Het is allemaal volstrekt niet overtuigend. Op iedere bladzijde weer moet de Haat van Dalroi benadrukt worden en het feit dat hij anders is dan anderen. De gehele tweede helft van het boek wordt gevormd door het psychedelische gevecht tussen Dalroi (die anders is dan anderen, en wiens Haat al het andere overtreft, ja ja, nu weten we het wel!) en de booswichten van de Ontspoorlijn. Keer op keer wordt hij geroosterd en gekookt in een zeven-dimensionale transfiniete ruimte (nee, ik ook niet) totdat uiteindelijk het systeem vernietigd wordt. Aan het eind blijkt nog dat de vriendin van Dalroi, zogenaamd ontvoerd, de eigenlijke leider is van de tegenpartij. Ik was al zover dat ik daar warm noch koud van werd. Als allerlaatste plotwending blijkt dan ook nog dat al die tijd de ‘good guys’ de slechteriken waren, en de ‘bad guys’ een interstellaire macht die probeert de mensheid voor groter onheil te behoeden. Dit was met enige voorsprong het slechtste boek uit de reeks tot nu toe.

vrijdag 23 april 2021

Eric Frank Russell – Welkom op Aarde (MSF 72)

Ook van mijn houding ten aanzien van Eric Frank Russell maak ik geen geheim: ik ben een fan. Door zijn nonchalante en elegante hard-boiled stijl denken veel mensen dat hij een Amerikaan was, maar hij was een Engelsman. Hij woonde en werkte in de Verenigde Staten, dat wel.

Russells verhalen kenmerken zich nogal eens door de confrontatie tussen een vrijdenkende eenling en een log bureaucratisch of militair systeem. Russels luchtige anarchistische levensfilosofie steekt geregeld de kop op en ik vind zijn gedachtewereld verfrissend. Ik verheugde me dan ook op dit boek, maar ben nu aan het eind een beetje teleurgesteld. Naast een aantal goede verhalen trof ik ook wel veel niemendalletjes aan. Sommige van de in dit boek verzamelde en door Warner Flamen vertaalde verhalen publiceerde hij onder het pseudoniem Duncan H. Munro. Slechts twee van deze bij vlagen opvallend modern aandoende verhalen zijn gepubliceerd gedurende mijn leven.

Diabologica (Diabologic, Astounding, maart 1955). Een standaard Russell-verhaal: een eenpersoonsdelegatie maakt contact met een nieuw ontdekte ruimtevarende beschaving. Brutaal en arrogant draait de slechts met een rappe tong gewapende eenling de bureaucratie van de planeet dol. Alles verloopt zoals het al zo vaak tevoren is gegaan, en weer is een volk overtuigd geraakt van de superioriteit van het menselijk ras.

Ankerlijn (Tieline, Astounding, juli 1955). Een beetje een niemendalletje. Om te voorkomen dat vuurtorenwachters die voor tien jaar helemaal alleen op een ver verwijderde planeet te werk worden gesteld compleet dol draaien, moeten ze iets hebben om houvast te bieden. Op deze specifieke plaats, een waterplaneet met wat rotseilanden, blijkt de oplossing te liggen in het sturen van zevenhonderd zeemeeuwen.

Hobbyist (Hobbyist, Astounding, september 1947). Een verkenner bereikt een planeet waar van iedere levensvorm, plantaardig of dierlijk, slechts één exemplaar aangetroffen wordt. Het blijkt dat deze planeet een testlaboratorium is van een god.

U-bocht (U-Turn, Astounding, april 1950). Een dystopische (of utopische?) wereld waar alleen de jongeren werken en de ouderen van een schijnbaar eindeloze oude dag kunnen genieten. Wat wil je nog meer? Douglas Mason is het leven na bijna driehonderd jaar wel zat en wil er een eind aan maken. De staat faciliteert dat, maar niet helemaal op de manier die Mason voor ogen stond…

Finale (Late Night Final, Astounding, december 1948). Dit is een heel typisch Russell verhaal. Een militaire macht landt op een planeet om die te onderwerpen, maar de bevolking trekt zich niets van de soldaten en hun vuurkracht aan. Allengs deserteren er steeds meer strijdkrachten, totdat de vloot volledig ontbonden wordt door de sociale aikido van de bevolking.

Het thema van dit verhaal werd vier jaar later in een sterk verbeterde versie, scherper en gedetailleerder, opnieuw gebruikt voor het verhaal And Then There were None (1952), dat op zijn beurt is opgenomen als vierde deel van de roman The Great Explosion (1962), dat ik eerder in dit blog behandeld heb.

Vertaler Warner Flamen lijdt in dit verhaal nog zwaarder aan de ziekte van het tegenwoordig deelwoord dan gewoonlijk. Dit stijlbloempje doet het leesplezier aanmerkelijk kelderen, dat heb ik al eens eerder betoogd. De onplezierige aandoening resulteert in zinnetjes als: ‘Ze aanrakend gebaarde Somir ze naar de deur.’ Het is niet mogelijk om ‘Nudging them, Somir gestured toward the door.’ lelijker en onhandiger te vertalen!

Opnieuw proberen (Second Genesis, The Blue Book Magazine, januari 1952). Een interstellaire reiziger keert terug naar de Aarde. Voor hem waren het drie jaren geweest, voor de Aarde tweeduizend. Het blijkt dat de mensheid volledig uitgestorven is, hij is alleen nog over. Dan verschijnt er een godheid (een deus ex machina van het zuiverste water) die uit een rib van de astronaut een vrouw creëert. Een heel slap verhaaltje.

Benenwerk (Legwork, Astounding, april 1956). Een buitenaardse bankrover met telepathische krachten wordt door twee nuchtere politiemannen opgespoord. Dit is het langste verhaal van de bundel en hangt er een beetje tussenin: te lang eigenlijk voor een verhaal, aanzienlijk te dun voor een roman. Een soort protoroman.

P.S. (P.S., Science-Fiction Plus, october 1953) gaat over een intense penvriendschap tussen een mens en wat naderhand blijkt een intelligente, maar afzichtelijke en onwelriekende schimmel te zijn. Niettemin handhaaft de mens zijn warme gevoelens voor zijn vriendin.

Paniekknop (Panic Button, Astounding, november 1959). Op iedere planeet die de mensheid inpikt wordt een langgestrafte met strafvermindering als een soort plaatshouder neergeplant die, voorzien van een knop en een sinister uitziende machine, verder niets anders hoeft te doen dan andere ruimtevarende en planeetveroverende volkeren bang maken. Een pure blufknop dus. En het werkt. Russell is bijna racistisch, zo is hij overtuigd van het vernuft van ons, mensen, ten aanzien van alle andere buitenaardse wezens!

Niets nieuws onder de zon (Nothing New, Astounding, januari 1955). Menselijke ruimtevaarders die een planeet van onsterfelijken bezoeken, realiseren zich niet dat de mensheid daar al eens eerder geweest is. Een nogal duister verhaaltje.

Ik ben niets (I am Nothing, Astounding, juli 1952). Dit is eigenlijk geen sciencefictionverhaal. Een militaire dictator krijgt een slachtoffer van zijn dadendrang te gast en hem vallen de schellen van de ogen als het abstracte kwaad dat hij routinematig aanricht plotseling een concrete invulling krijgt.

Allamagoosa (Allamagoosa, Astounding, mei 1955). Een humoristisch verhaaltje gebaseerd op een woordgrap. In de inventarislijst van een militair schip staat een offond genoteerd (in het Engels offog). Niemand weet wat dat is en dus bouwen ze er een, puur om de inspectie te kunnen doorstaan. Als ze later voor alle zekerheid rapporteren dat hun offond geëxplodeerd is, blijkt pas welke tikfout hun parten heeft gespeeld.

Al met al, zoals reeds geconstateerd, een beetje teleurstellende verzameling. Veel flauwiteiten en eigenlijk vrij weinig echte Russelliaanse meesterwerkjes. De vreselijke vertaling hielp ook niet echt.

Ikzelf zou een paar kortere flauwekulverhaaltjes weggelaten hebben en daarvoor in de plaats een (goede) vertaling van Design for great day hebben opgenomen. Dat verhaal komt nu pas veel later in de reeks pas aan de beurt, in deel 148.


vrijdag 9 april 2021

Philip Dick – De spelers van Titan (MSF 71)

Hoewel ik nog steeds niet in de forensentrein aan te treffen ben, neem ik zo nu en dan toch maar weer eens een deeltje van de Meulenhoff SF-reeks ter hand. Men moet wat in lockdown.
 
De aandachtige lezer van dit blog zal weten dat ik geen fan ben van Philip Dick. Er is iets aan zijn fantasie dat ik grauw vind, plat en triviaal. Wonderlijk, omdat hij juist heel populair is als een visionaire schrijver, die grenzen tussen genres weet te slechten en met een voldragen en krachtige literaire stem spreekt. Ook is het zo dat het merendeel van zijn werk geschreven is onder invloed van geestverruimende middelen. Ik lees dat er allemaal dus niet aan af. Dick voelt zich het meest op zijn gemak in dunnige, metalige post-apocalyptische dystopieën. Zijn hoofdpersonen en hun motieven zijn naargeestig of psychotisch. Sommige boeken van hem vind ik naargeestiger dan andere, en het lapidair door ene D. Markus vertaalde De spelers van Titan vind ik het naargeestigste tot nu toe. Een eerder boek van hem heb ik al slechts met hangen en wurgen uit weten te lezen, maar er zijn grenzen. Ik ben in dit boek halverwege gestopt, ik kon er niet meer tegen.

De mensheid is na een kernramp die de vruchtbaarheid heeft beïnvloed teruggebracht naar een handzame paar miljoen. Voortplanting is vrijwel onmogelijk geworden en slechts als men tijdens het blufspel een drie gooit kan men hoop koesteren op een betere toekomst. Pete Garden, de bipolaire hoofdpersoon van dit boek heeft zijn vrouw en het grootste deel van zijn land verloren en wil dat graag terugwinnen. Luckman, de man die hem die grond afhandig gemaakt heeft wordt vermoord en de wereldleiding, bestaande uit vugs, de op silicium gestoelde levensvorm van Saturnus’ grootste maan Titan, begint zich met het geval te bemoeien. Zij hebben de macht over de resterende mensheid overgenomen, geven leiding aan het blufspel en gebruiken telepathie en hallucinaties om hun macht te handhaven.

Tot hier heb ik het boek doorgeworsteld. Ik weet dat verderop in het boek de gokgroep van Pete Garden, als verdachten van de moord, naar Titan getransporteerd zal worden om daar een ultiem spel te spelen en waar een heleboel kwalijks omtrent de vugs ontdekt wordt.

Men prijst nogal eens de plot van deze korte roman. Omdat ik hem niet tot het einde heb uitgelezen, kan ik niet echt oordelen, maar wat ik in de eerste helft aangetroffen heb als plot-ondersteunend materiaal, gaf me geen goed gevoel. De karakters van de personages zijn uitgesproken zwak. Ondanks alle toestanden die er in hun hoofden omgaan, blijven ze opmerkelijk eendimensionaal. Geen van de personen springt er gunstig uit en ik kon me met niemand identificeren. Hun lot liet me dan ook volledig koud.