donderdag 28 september 2017

Fritz Leiber – De zwerver (MSF 31)

Ik ben een fan van de korte verhalen van Fritz Leiber (1910-1992). Vreemde, tintelende pareltjes met soms verrassend diepe wendingen. Zijn fantasy-boeken heb ik nog nooit gelezen (dat gaat vanzelf komen als ik dit project voortzet!) en zijn magnum opus, De Zwerver, goed voor de Hugo Award van 1965, las ik toen ik heel jong was en nog open stond voor van alles. Ik kan me herinneren dat ik het wel een oké boek vond. Ik sta daar nu anders tegenover.

Ik heb tot nu toe vaak geklaagd dat de boekjes die Meulenhoff ons aanbood, te dun waren: onvolledig uitgewerkte voorstudies of oppervlakkige niemendalletjes. Deze keer moet ik het tegenovergestelde zeggen: deze roman uit 1964 is veel te lang geworden. Mede (maar niet alleen!) daardoor heeft hij de tand des tijds niet erg weten te doorstaan. De vertaling van David Marcuse is tamelijk onder de maat. Houterig, lelijk Nederlands, gelardeerd met vrijwel iedere denkbare stijlfout maakt het dikke boek er niet leesbaarder op.

Het boek is opgesteld als een rampenboek, dat wil zeggen: meerdere plotlijnen worden chronologisch en parallel uitgerold. Een groep vliegende schotel-enthousiasten, een astronaut op de maan, een stelletje hippies, een miljonair met zijn zwarte staf, etc. Elk van deze groepen ondergaat de rampen op hun eigen manier en soms komen verhaallijnen samen - soms ook niet.

Het begin gaat nog wel. Plotseling verschijnt er in de buurt van de maan een nieuwe planeet. Het blijkt een ruimteschip van een superintelligent ras te zijn ter grootte van de aarde. Dit schip begint de maan te consumeren, als brand- en grondstof naar later blijkt. Door de aanwezigheid van dit enorme hemellichaam worden de getijden op aarde verstoord en overstromingen, tsunami’s, aardbevingen en vulkaanuitbarstingen zijn het gevolg. De halve wereldbevolking gaat op de vlucht. We volgen met name de schotelaars die in konvooi voor hun leven moeten vechten en uiteindelijk een basis weten te bereiken. Ondertussen neukt iedereen met iedereen.

De aard van het supervolk blijft in het begin ondoorgrondelijk en dat is goed want abstract en dreigend. Zijn onverschilligheid ten aanzien van de aarde en haar bewoners wordt uitstekend gesuggereerd. Totdat we halverwege het eerste contact meemaken. Daarna wordt het een draak van een boek, helaas.

Fritz Leiber
Het superras blijkt te bestaan uit katachtigen, die met de mensen beginnen te discussiëren en het hele angstaanjagende effect van het eerste deel wordt teniet gedaan en wel met rente. Want de katachtigen blijken een soort psychologie te hebben die me nog het meest deed denken aan het kleinsteedse gekibbel van een tv-serie als  Peyton Place. Het zogenaamd superieure ras blijkt ruzieachtig, wrokkig, kleinzielig, banaal, foutief psychologiserend, gefrustreerd en een beetje sadistisch te zijn. Iedere geloofwaardigheid verdwijnt, uit de wezens en daardoor tegelijk uit het boek. De paar gevangen mensen moeten een heel spervuur van verdedigingen aanhoren, dat de wezens het allemaal niet zo erg bedoeld hadden, dat ze juist geprobeerd hadden om hier en daar wat groepen mensen of steden te redden, dat ze zo dadelijk weer zullen verdwijnen en dat de aarde dan weer verder kan. Dat een aarde zonder maan waarschijnlijk een soort tweede Venus zal worden, met onleefbare temperaturen en luchtdruk, heb ik nergens langs zien komen. Een ander wetenschappelijk puntje bleef gedurende de lezing ook aan me knagen: de Zwerver is weliswaar even groot als de aarde, maar het blijkt dat hij helemaal hol is, met vijftigduizend “schillen” of niveaus waar een hele menagerie aan intergalactische wezens woont. Een dergelijk lichaam kan, hoewel zeer massief, nooit even zwaar zijn als de aarde en kan dus nooit die dramatische veranderingen in de getijden veroorzaken.

Het eerste deel van de roman belooft veel, het tweede deel bederft alles. 

woensdag 23 augustus 2017

Philip Jose Farmer – Vreemde verwanten (MSF 30)

Enigszins gewaagd voor zijn tijd was Philip Jose Farmers verhalenbundel Strange relations uit 1966, waarin de mogelijkheden van intergalactische seksuele relaties uitgewerkt werden. Bij herlezing komt het me allemaal niet zo spannend meer voor, maar ik herinner me vaag dat ik het, toen ik het begin zeventiger jaren voor het eerst las, bepaald een controversieel boek vond.

Deze redelijk maar ietsjes houterig en niet helemaal foutloos (bijvoorbeeld: “wat het ook zei”) door Elisabeth/van Leent-Sieburgh vertaalde bundel bestaat uit vijf lange verhalen die telkens een “casus” presenteren.

Het eerste verhaal, getiteld Moeder, beschrijft hoe een seksueel enigszins gefrustreerde jongeman en zijn moeder, die hem volledig domineert, op de verre planeet Baudelaire door twee inheemse molluskachtige moederwezens in haar baarmoeders opgesloten worden. De moeder overleeft het niet, maar Eddie wordt uiteindelijk onderdeel van het voortplantingsproces van zijn gastmoeder.

Het tweede verhaal, Dochter is een soort à propos bij het eerste. Het speelt weer op de planeet Baudelaire, maar nu is het een kind van het moederwezen en Eddie, dat door haar vader onderwezen wordt in overleving, op een manier die tot dat moment op de planeet onbekend was. Na enige tijd begint de lezer te vermoeden dat we hier met een bewerking te maken hebben van het sprookje De wolf en de zeven geitjes, wat aan het eind dan ook in “otjespee atijnlee” (potjeslatijn) onthuld wordt. Dit verhaal komt tot nu toe het dichtst bij wat ik gezellige Amsterdam-Westessef noem en is mijn favoriet uit deze bundel.

Het derde verhaal Vader is de spil van het boek. Met zijn ruim honderd bladzijden is het eigenlijk een korte roman geworden. Erin wordt beschreven hoe een schip strandt op de verre planeet Abatos, een ware Hof van Eden, waar een buitenaards wezen aanvankelijk zeer overtuigend pretendeert God te zijn. Aan boord van het schip raken twee passagiers, Bisschop André en pastoor Carmody, in een verhit debat omtrent de ware aard van het wezen, totdat blijkt dat het wezen, zich noemende Vader, een leugenachtig en kwaadaardig schepsel is. Het kost de bisschop het leven, de padre, met meer levenswijsheid behept, komt als triomfator tevoorschijn. Kwesties als oerzonde, seks, het eeuwige leven etc. komen aan bod. Als theologische sciencefiction is dit geen slecht verhaal, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het, zoals wel vaker gebeurde bij verhalen uit deze periode, in zekere zin als prototype heeft gediend voor latere, veel beter uitgewerkte dito verhalen.

Philip Jose Farmer
Verreweg het zwakste verhaal is Zoon, waarin een man met een moedercomplex gevangen wordt door een volledig geautomatiseerde, van AI voorziene, vrouwelijke communistische onderzeeboot van de vijand. Hij is haar te slim af, doorziet haar leugens, ontsnapt  en is meteen van zijn moedercomplex af. Ongeveer rond diezelfde tijd schreef Larry Niven een kort verhaal over een intelligente raket met ogenschijnlijk psychosomatische klachten, getiteld Becalmed in Hell, dat zoveel beter was dat het eigenlijk geen vergelijking meer is. Het is duidelijk: Farmer was een der laatsten van de oude garde, Niven één der eersten van de nieuwe. In de zestiger jaren was er een machtsgreep bezig die zou af gaan rekenen met de klassieke sciencefiction.

Het laatste verhaal, Mijn zuster d’r broer toont dat eens te meer aan. Hier hebben we een verhaal over een aantal zeer ingewikkelde symbiotische levensvormen en voortplantingswijzen die voor de huidige lezer paradoxaal tegelijkertijd een beetje te simpel en nogal vergezocht is. Het is zeker een onderhoudend verhaal, met trouwens ook weer een forse dosis theologie erin verwerkt, maar vergeleken bij de veel subtielere symbioses die moderner schrijvers ons hebben voorgetoverd, voldoet het verhaal eigenlijk maar ternauwernood.

Eén ding aan dit boek is nog heel vreemd: ik heb een zeer levendige herinnering aan een bepaalde scène uit dit boek dat ik vijfenveertig jaar geleden gelezen heb. Ik kan me zo de setting en de sfeer voor de geest halen. Maar hoe levendig die herinnering ook moge zijn: de scène komt niet voor in het boek!

woensdag 16 augustus 2017

Ernest Hill – Jammer van de Aarde (MSF 29)

Volgens de redactie van M=SF zou dit boek een humoristische, kolderachtige en satirische roman moeten zijn à la Paul van Hercks Sam, of de Pluterdag en zelfs zou het hier en daar herinneren aan “de minder ernstige schrifturen” van Remco Campert.

Welneen.

Met de beste wil van de wereld kan ik geen spoor van verwantschap ontdekken met deze twee genoemde schrijvers. In van Hercks toekomst komt een almachtige reclamecultuur weliswaar ook aan bod, maar daarmee is dan ook iedere gelijkenis genoemd.
Jammer van de Aarde is wel degelijk brutaal, maar op een heel andere wijze dan Van Hercks opus. Het boek is op een lichtelijk non-conformistische manier zowel kwaadaardig als optimistisch, er zit er een hoop satire in het verhaal dat over de machtigen van het universum gaat, waaronder de krantenmagnaten, maar eerder zie ik een verwantschap met de Amerikaanse underground van de jaren zestig, en dan met name met het vele keiharde cartoongeweld van de legendarische tekenaar Robert Crumb en de Nederlandse cartoonist Bernard Willem Holtrop, bekend als Willem. Wat op zich dan toch best weer opmerkelijk is voor de debuutroman van een drieënvijftigjarige Brit uit de advertentiewereld!

Pity about Earth uit 1968, in de vertaling van F. Lancel al in 1970 aan de Meulenhoff-reeks toegevoegd, is een satirische avonturenroman die in niets gelijkt op de boeken die we tot nu toe in de reeks hebben aangetroffen.  

Shale is directeur advertenties van een in een oplage van 1000 miljard verschijnende krant. Hij wordt door een concurrent gevangen genomen en komt terecht in een laboratoriumcomplex met vele tienduizenden kooien waar de meest wrede experimenten worden uitgevoerd (die met smaak beschreven worden). Shale is zelf een exponent van deze wereld: in onze ogen volstrekt amoreel. Hij begrijpt dan ook helemaal niets van de gedachtewereld van Marilyn, een aap met empathisch mensenverstand die hij bevrijdt uit het laboratorium. Zij begrijpt evenmin veel van zijn hardheid.
Getweeën ontsnappen ze en vervolgens trekken ze naar de planeet Asgard, waar de machtige zakenmensen wonen. Shane en Marilyn nemen het krantenimperium over en terwijl Shale zijn tijd met lolletjes vult, hervormt Marilyn de krant zodanig dat de advertenties niet langer het nieuws bepalen. Een langdurig proces dat nog maar net begonnen is als we het boek dichtslaan.

Ik vond het best een aardig boekje, maar wel heel erg onsubtiel. De satire werd met grote gebaren en loeiende sirenes gepresenteerd. Ook hing er een grote neonreclame boven het geheel: “Pas op!! Dit is satire!!!” Het had ook best een beetje minder gekund.

Hoe Ernest Hill eruit zag weet ik niet. Ik ben er niet in geslaagd ook maar één enkele afbeelding van hem te vinden. Het blijkt ook enorm moeilijk om überhaupt extra informatie over dit boek te vinden op het net. Het bleef bij die ene druk, niemand heeft het nodig geacht een recensie of zelfs maar een samenvatting te schrijven. Dus hier hebben we echt wel te maken met een underground classic.

woensdag 9 augustus 2017

Theodore Sturgeon - Venus Plus X (MSF 28)


Venus Plus X van Theodore Sturgeon (geboren als Edward Hamilton Waldo) verscheen in 1960, en liep daarmee een paar jaar voor op de avant-garde van de vrouwenemancipatie en de seksuele revolutie.

Een doodgewone man wordt verplaatst van het Amerika van de zestiger jaren naar een tijd zeer ver in de toekomst, of althans, dat lijkt het te zijn. De mensachtigen van deze maatschappij, Ledom geheten (het omgekeerde van model) blijken hermafrodieten te zijn, die de man nodig hebben om vanuit het standpunt van een niet-ledomiet een oordeel te vellen over de maatschappij. Hij wordt langzamerhand bekend met de ogenschijnlijk ideale maatschappij van liefde die er heerst, tot hij ontdekt dat de ledomieten helemaal niet als hermafrodiet geboren worden, maar door een ingreep in het laboratorium zo gemaakt worden. Woedend wijst hij ze af, waarna de aap uit de mouw komt: hij bevindt zich helemaal niet in de toekomst maar in het heden, en hij is ook niet wie hij denkt te zijn: in werkelijkheid is hij een manlijk gebleven ledomiet die met de gedachten van een omgekomen homo sap. is gevoerd. Er wordt besloten dat hij in het geheime gebied van Ledom mag blijven, samen met een eveneens niet behandeld meisje.
In een parallelverhaal, geschreven in de tegenwoordige tijd, komen alle denkbare clichés aan bod: hoe jongens en meisjes al van jongs af aan in het keurslijf van hun biologische geslacht geperst worden: jongens met hun auto’s, meisjes met hun poppen; hoe films over liefde taboe zijn voor kinderen en geweldfilms prima gevonden worden, etc.

Theodore Sturgeon
Samen met Philip José Farmer, staat Sturgeon bekend als de meest seksueel expliciete van de klassieke sciencefictionschrijvers. De thematiek in het onderhavige boek is de dubbele seksuele en sociale moraal van, natuurlijk, met name de Verenigde Staten van na de oorlog. Veel van de problematiek in het boek is ook tegenwoordig nog actueel. De behandeling van homoseksuelen, het opgedrongen geslachtelijke gedragspatroon, de hypocriete seksuele en religieuze moraal. Het boek gaat zeer nadrukkelijk over het Amerika van 1960.

Als sciencefiction is het niet het meest opwindende boek uit de serie. Veel van de natuurkunde klinkt een beetje naïef en ouderwets, bijna vooroorlogs.

Het dunne boek is bedaard vertaald door Dolf Verroen en las in vier forens-ritjes uit.

zondag 6 augustus 2017

James H. Schmitz – De heksen van Karres (MSF 27)


De heksen van Karres begon zijn bestaan als een kort verhaal uit 1949. In de jaren 1965-66 breidde Schmitz dat verhaal aanzienlijk uit tot een kloeke roman, die verscheen in 1966. De Nederlandse vertaling verscheen in de Meulenhoffreeks in 1969. In het algemeen is het boek door Mark Carpentier Alting redelijk vertaald, al telde ik wel een paar opmerkelijke grammaticale missers (“opgevouwd”, “afgeschrokken”).

Het verhaal is niet al te ingewikkeld: kapitein Pausert redt drie heksenkinderen Maleen (14), Goth (9 of 10) en de Leewit (6) van een slavenbestaan door ze voor een zacht prijsje te kopen. Hij brengt ze naar hun thuisplaneet Karres, dat in een dodelijke strijd gewikkeld is tegen een planeetgroot robotisch oorlogsschip genaamd Wormwereld, een plot die meteen aan Star Wars doet denken. Uiteindelijk wordt door Pausert en vooral Goth de oorlog gewonnen, met hulp van een vatch, een transdimensionale plaaggeest die op het eind door de kapitein vakkundig geneutraliseerd wordt.

De heksen van Karres wordt beschouwd als space-opera en hoort tot de popcultuur van de jaren zestig. Schmitz’ schrijfstijl is licht en elegant en staat nooit het verhaal in de weg. De psychologieën van de personen worden volledig vormgegeven door hun handelingen. De kapitein is fatsoenlijk en pragmatisch, Goth is voorlijk en bedachtzaam, de Leewit ernstig en grillig. De cultuur waarin dit boek het makkelijkst is voor te stellen, is die van de tv-sciencefiction. In het jaar van verschijnen van de roman, 1966, werd ook de eerste aflevering van Star Trek uitgezonden en zeker het eerste deel van het boek doet sterk aan die serie denken. Het tweede deel is wat duisterder en broeieriger en herinnert mij meer aan twee andere legendarische televisieseries: Blake’s Seven, maar met name Doctor Who, zeker waar het de confrontatie betreft tussen onze helden en de megalomane en misdadige, losgeslagen robot van Wormwereld.

James H. Schmitz
Waar de hedendaagse, primair reagerende wereld buitengewoon gevoelig voor is, zijn de vermeende pedofiele trekjes van het verhaal. Tienjarige Goth spreekt de verwachting uit later met de kapitein te zullen gaan trouwen. Pausert gaat daar verder niet op in en er is dan ook geen enkele spanning in de lucht. Hij is achter in de twintig, zij tien. Het is niet aan de orde.
Een zekere Cheryl neemt daar op Goodreads geen genoegen mee. Ze heeft het boek verkeerd (of helemaal niet?) gelezen en schrijft verontwaardigd: “Pedophilia trigger. These are not witches disguised as children, but rather children who have developed certain talents. And there is much talk with the captain of approaching marriageable age, which is apparently 16, at least for girls.”
Het ligt natuurlijk allemaal veel genuanceerder, maar de overspannen tijdgeest van het heden heeft geen tijd voor nuances en kiest dus het liefst voor de kortste beschikbare bocht. Dit soort morele verontwaardiging, volledig gebaseerd op de eigen, beperkte en nogal onnozele wereldkijk staat me buitengewoon tegen.
Op Librarything analyseert een zekere Featherbear veel nuchterder: “Maybe today some might detect a hint of pedophilia – there seems to be an expectation that Goth will marry Captain Pausart when she “comes of age.” Schmitz is probably aware of this […]”. Hij vervolgt: “Middle sister Goth (prepubescent, about 9?) takes over for much of the book. This could potentially be […] problematic, but any implicit sexuality is deflected to the mature charms of the nefarious ship chandler Sunnat of Uldune and the gun totin’ Empire agent Hulik do Eldel”. En ook met deze twee vrouwen ontstaat er nooit iets dat maar in de verste verte op een seksuele chemie lijkt: het boek is nadrukkelijk aseksueel.

Onze ‘moderne” tijd heeft in haar oneindige wijsheid nog een “dingetje” met het boek. In 2005 heeft Eric Flint het voor een heruitgave geredigeerd, vooral om een heleboel referenties aan roken en tabak te verwijderen, die het verhaal kennelijk onaanvaardbaar maakten voor de “moderne” lezer. Wat een bekrompen figuur is die moderne lezer toch!


woensdag 26 juli 2017

Kurt Vonnegut – De grote pianola (MSF 26)

Op de middelbare school hadden we een lerares Engels, een zekere mevrouw Kist-Tissot van Patot, die onverbiddelijk was waar het triviale literatuur betrof: sciencefiction of fantasy werd niet toegelaten op de leeslijst. Steven trachtte het 600 pagina’s dikke Time Enough for Love van Heinlein op zijn lijst te krijgen – kansloos. Eén vreemde uitzondering maakte ze wel. Kurt Vonnegut was namelijk in orde, zozeer zelfs dat Slaughterhouse Five niet alleen toegestaan werd, maar zelfs klassikaal gelezen moest worden. Men kan twisten of dit een zuiver sciencefictionboek is, maar het komt wel in de buurt. Zijn debuutroman Player Piano uit 1952 is wel degelijk onversneden sciencefiction, zij het van een ouderwetse soort en doorspekt met modern Frans existentialisme.

Zoals zoveel tegen de “hogere” literatuur aanschurkende sciencefiction, hebben we ook hier weer met een dystopie te maken. De Verenigde Staten is een volledig geautomatiseerde maatschappij geworden en de mensen slagen er niet in gelukkig te worden met hun welstand en vrije tijd. De mensheid is verdeeld in een opperklasse met een academische graad, en het gewone volk dat langzaam tot debiliteit vervalt, met IQ’s tussen de 60 en 80. Paul Proteus is de baas van een fabriek, maar hij is geenszins tevreden met zijn leven. Hij stapt uiteindelijk uit de maatschappij en veroorzaakt een opstand tegen de machines, ten koste van zijn baan, zijn vrouw en zijn hele oude leventje. De revolutie mislukt natuurlijk, maar niemand lijkt daar erg mee te zitten. En dan is dit dikke boek toch nog plotseling afgelopen.

Kurt Vonnegut in 1952
Het is uitermate grappig om te zien hoezeer de toekomst in vijfenzestig jaar kan verouderen. In de geautomatiseerde toekomst van Vonnegut komen robot-restaurants voor, met onder andere een permanente stroom vriendelijke muziek die uit een bandrecorder komt. Weet u nog wat dat was? Zelfs toen dit boek, slechts twintig jaar na verschijning in het Nederlands verscheen was de bandrecorder bepaald al een aflopende zaak. De automatisering zelf vindt trouwens plaats via reusachtige computers met eindeloze voorraden ponskaarten. Maar ook op heel ander gebied kan men zich verbazen over de snel verouderende toekomst: iedereen rookt als ketters en een top-footballspeler wordt getransfereerd voor maar liefst $48.000! In werkelijkheid wil op dit moment Real Madrid 150 miljoen betalen voor een Frans knulletje van achttien! Een match tussen Paul en de schaakcomputer Jan Schaak (in het Engels trouwens een damcomputer genaamd Checker Charlie) wordt door de mens gewonnen doordat het apparaat kortsluiting maakt en in rook opgaat.

Het slechts bij uitzondering bijtend satirische verhaal, iets waar we bij de latere Vonnegut op zijn gaan rekenen, is alles bij elkaar tamelijk naïef gebleven en ik vind het een heel vreemd debuut voor iemand die in later jaren genoemd werd als kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Het boek werd vertaald door M.K. Stuyter, wat bijna vanzelfsprekend weer een pseudoniem is van Mieke Groot, die intussen samen met Mark Carpentier Alting de redactie van de hele reeks op zich genomen heeft. Blijkbaar vond ze nog steeds dat de meer literaire boeken haar verantwoordelijkheid moesten blijven. Persoonlijk vind ik dat jammer, hoewel de onderhavige vertaling minder slecht en houterig is dan haar eerdere Ballard-pogingen. Echt soepel wordt het allemaal niet, maar vooruit, het gaat…

dinsdag 18 juli 2017

Jack Vance – Onder de Wankh (MSF 25)

Onder de Wankh is het vervolg op Een stad vol Chasch, de lotgevallen van Adam Reith op de waanzinnige planeet Tschai. Na een korte samenvatting van het voorafgaande volgen we onze held en zijn gezelschap die per kogge richting Cath varen om de ontzette maagd Bloem van Jade af te leveren. Zij pleegt echter onderweg zelfmoord en het bezoek aan de Yago van Cath valt daarmee ernstig tegen. Reith reist door naar het gebied van de Wankh, deze keer vergezeld door een stel avontuurlijk ingestelde Lokhaar-technici om daar een ruimteschip te stelen. De poging mislukt en Reith en kompanen lijken ten dode opgeschreven. Op het laatste nippertje weet Reith het de Wankh duidelijk te maken dat hun menselijke onderhorigen, de wankhmannen, die zij als tussenpersonen gebruiken, in feite een ongekende macht uitoefenen over de Wankh. Aldus ontkentent Reith alweer een revolutie: deze keer bevrijdt hij niet een groep mensen van een vreemde overheerser, maar een groep vreemden van een menselijke overheersing. Aan het eind van dit deel is de groep terug bij af. Geen geld, geen plannen, alleen een allesoverheersende drang om een ruimteschip te bemachtigen en terug te keren naar de Aarde, de ware mensenplaneet.

Jack Vance
Het is weer een simpel en amusant stukje space-opera geworden, zonder al te veel psychologische verdieping of uitgebreide sociologische analyses, ook al is het hoofdbestanddeel van ook dit deel niets anders dan de verschillen in sociale orde binnen sterk van elkaar verschillende culturen.

Wat verder nog opvalt in deze vertaling door Mark Carpentier Alting – zozeer zelfs dat het irritant begint te worden - is het veelvuldig gebruik van het bijvoeglijk naamwoord “uiterst”. In dit niet overdreven dikke boek heb ik er minstens zeven gevallen van geteld. Het is een woordje dat een soort precieuze deftigheid uitstraalt, een stoffige schijnprecisie. Ook eerdere deeltjes uit de reeks zijn aan het misbruik ervan ten prooi gevallen. Vonden de hippie-vertalers uit het begin van de zeventiger jaren dit een mooi woord? Ook “hoogst”, met een vergelijkbare ambtelijke vormelijkheid, komt geregeld voor.

Enfin, niettemin leest het makkelijk weg (twee dagen forensen is voldoende) en we kijken alweer uit naar de voortzetting van Adam Reiths avonturen.