zondag 22 oktober 2017

Cordwainer Smith - Heren en knechten (MSF 33)


De Oost-Aziëdeskundige en psycholoog Paul Myron Anthony Linebarger (1913-1966) wilde zijn wetenschappelijke werk en zijn sciencefiction strikt van elkaar gescheiden houden. Daarom koos hij een pseudoniem. Soms kun je iemands karakter aardig reconstrueren vanuit zo’n pseudoniem: in dit geval bestaat hij uit twee klassieke, geschoolde handvaardige beroepen. Een cordwainer (in het Oud-Nederlands: cordewanier) is een schoenmaker die werkt met cordovan leer. In Nederland hebben we de zeldzame achternaam Corduwener. Een smith is vanzelfsprekend een smid. Hier is iemand die staat voor tradities, eerlijk handwerk, afwezigheid van pretenties.

De sciencefiction die hij schreef was allesbehalve traditioneel. Hij schept een volstrekt unieke toekomstgeschiedenis die nogal haaks staat op het rechtlijnige denken van de meeste sciencefictionschrijvers.  Dit redelijk door Max Schreuder vertaalde boek (één keer een “de-mensen-die-is”-fout) bestaat uit vijf verhalen, sommige behoorlijk lang. Het doet daardoor denken aan het boek Vreemde Verwanten van Philip Jose Farmer. De thematiek is echter geheel anders.

Het eerste verhaal, Moeder Hitties Kleine Kitties (1961), gaat over een beroepsdief die de rijkdom van een planeet probeert te stelen maar daarbij op een zeer bizarre manier om het leven komt: elektrisch versterkte telepathische gedachten van speciaal daartoe gekweekte krankzinnige nertsjes. Wilde fantasie, ik houd daar in principe wel van.

Het tweede verhaal blijkt de ruggengraat van het hele boek te zijn. De dode dame in de Onderstad (1964) telt 110 pagina’s. Het beschrijft als een quasi wetenschappelijke historische studie de revolutie van de ondermensen van een aantal eeuwen terug. Dieren, voorzien van menselijke trekken, worden door twee roosterfouten in de maatschappij, de heks Elaine en het hondenmeisje D’joan, samen met een reeds lang overleden wijze vrouw wier persoon in een computer is opgeslagen, opgewekt tot een revolutie om hun rechten als mens te verwerven. De revolutionaire actie zelve mislukt, in zoverre dat bijna iedereen ter dood wordt gebracht, maar slaagt omdat er nadien inderdaad een kentering zou komen in de verhouding tussen heren en knechten. Ik vond het een lastig verhaal omdat ik ten eerste niet zo van de fantasy-achtige sfeer ervan hield, maar bovendien was deze fantasie ook nog eens messianistisch en new-age.

Veertig bladzijden duurt het derde verhaal De dronken boot (1963), ook weer een verhaal dat zogenaamd naderhand verteld is, en waarin gerefereerd wordt aan voetnoten van historici en dergelijke. Dit verhaal vertelt hoe Rambo, daartoe gedwongen door een Heer, leert om op eigen gelegenheid, zonder ruimteschip dus, door de intergalactische ruimte te reizen en iedere plaats in het universum in een fractie van een seconde te bereiken. Het verhaal had niet veel kop of staart, maar ik neem aan dat het essentieel was om de toekomstgeschiedenis van Cordwainer Smith verder op te bouwen.

Cordwainer Smith
De ballade van C'Mell (1961) kun je opvatten als een soort samenvattende voortzetting van het lange tweede verhaal. Deze keer is het niet het hondmeisje D’joan, maar de katgeisha C’mell wier menselijkheid wordt getest door een rechtbank. Maar één van de Heren is op haar hand en hij weet haar waardevolle gegevens te verschaffen die bijdragen aan de uiteindelijke emancipatie van de ondermensen. Al deze verhalen gaan uiteindelijk over de relatie tussen (bio-)wetenschap en ethiek.

Het boek eindigt met Een planet genaamd Shayol (1961), een tamelijk gruwelijk verhaal over een planeet waar de zwaarste misdadigers naartoe gestuurd worden om de rest van hun leven in pijn te slijten. Maar de straf is heel dubbelzinnig. Op de planet woont een levensvorm, de dromozoa, die met de allerbest denkbare bedoelingen levend materiaal voozien van extra organen, ledematen of andere verbouwingen, waar de mensheid als geheel alleen maar profijt van kan hebben, maar welk proces wel een voortdurende, danteske marteling oplevert voor de veroordeelden. Uiteindelijk wordt de strafplaneet opgeheven, wanneer blijkt dat de machthebber ook onschuldige kinderen naar deze strafkolonie heeft gestuurd.

De toekomstgeschiedenis in dit boek is geen plezierige en Cordwainer Smith’s schrijfstijl is zeer ongebruikelijk en vreemd. Ik moet bekennen dat het met een zekere zucht van opluchting was dat ik dit boek afsloot.

zondag 8 oktober 2017

Jack Vance – De moordmachine (MS 32)

Jack Vance’s pentalogie De Duivelsprinsen beschrijft een serie afrekeningen met vijf kwaadaardige misdadigers. Wat de vijf met elkaar gemeen hebben is het feit dat ze lang geleden de familie van de hoofdpersoon, Kirth Gersen hebben gedood of als slaven hebben afgevoerd en zijn huis verwoest hebben. In klassieke Samurai-filmstijl zoekt hij ze een voor een op en doodt ze. Na in het eerste deel afgerekend te hebben met Attel Malagate, bijgenaamd de Plaag, is nu Kokor Hekkus, oftewel de Moordmachine aan de beurt. Net als de andere vier leeft ook deze Duivelsprins in vermomming, soms ver weg, dan weer in de directe nabijheid van Gersen. Was Billy Windle de bandiet? Seuman Otwal?

Via een reeks van slimmigheden weet Gersen er uiteindelijk achter te komen onder welke vermomming Kokor Hekkus opereert, waarna hij hem kan confronteren en elimineren. Tegen het einde wordt duidelijk dat hij iemand is met wie we eerder al kennis gemaakt hadden, namelijk een zekere Sion Trumble. En daarin steekt meteen een plotwending die gewoon niet deugt en die daarom bij mij ongemeen veel jeuk veroorzaakt. Want al het handelen van Kokor Hekkus in dit boek draait uiteindelijk om het vinden van genoeg fondsen (tien miljard) om de schone dame Alusz Iphigeneia Eperje-Tokay vrij te kopen en in bezit te nemen. Gersen is hem daarbij echter te slim af en gaat er met haar vandoor. Maar ondertussen was Alusz Iphigeneia al zo goed als verloofd met genoemde Sion Trumble, een prins van het mythische Thamber, haar geboorteplaneet. Pas helemaal aan het eind van het boek blijken Sion Trumble en Kokor Hekkus één en dezelfde persoon te zijn geweest. Waarom dus al die moeite gedaan om haar te krijgen, als hij haar in feite al had? Hoe ik het ook schuif, ik kan dit niet kloppend krijgen. Dit is een ware fopspeen.

Jack Vance
Ondertussen hebben we verder gelukkig wel weer heel veel vintage Vance. De planeet Thamber doet wel wat denken aan Tschai, en Vance’s barokke pen vult de bladzijden weer met een veelheid aan kleuren, vormen, geuren, gewoonten, altijd in laatmiddeleeuwse tinten geschilderd. De acties worden altijd ondergeschikt gemaakt aan de interacties en Vance is een begenadigd beschrijver van sociale gewoontes en conventies, liefst van de enigszins wetteloze zelfkant van de kosmos. Kirth Gersen lijkt qua karakter wel een beetje op Adam Reith, de held van Vance’s Tschai tetralogie. Beiden zijn het rauwe mannen met een goede inborst, voorzien van een trots die op het arrogante af is. Beiden gaan ze met een behoedzame maar zelfverzekerde autoriteit om met hun gelijken en ondergeschikten, waardoor ze heel veel voor elkaar krijgen. Aan de andere kant begrijpen ze allebei niet of nauwelijks iets van vrouwen en kinderen.

Wat me telkens weer verbaast bij de Meulenhoff-reeks is de eigenaardige voorkeur van alle vertalers voor die bloedarmoedige, plechtige, ambtelijke polygoonwoordjes zoals “uiterst” (vertaler Warner Flamen gebruikt het 6x in dit boekje), “uitermate” (5x) en “hoogst”. Was dat eind zestiger, begin zeventiger jaren in de mode? Verder liep de vertaling wel redelijk, hoewel we toch nog een paar fraaie stijlbloempjes konden plukken.

We gaan nu in de reeks eerst de laatste twee deeltjes van Tschai afwerken en verwachten pas in deel 60 het derde boek van de Duivelsprinsen.

donderdag 28 september 2017

Fritz Leiber – De zwerver (MSF 31)

Ik ben een fan van de korte verhalen van Fritz Leiber (1910-1992). Vreemde, tintelende pareltjes met soms verrassend diepe wendingen. Zijn fantasy-boeken heb ik nog nooit gelezen (dat gaat vanzelf komen als ik dit project voortzet!) en zijn magnum opus, De Zwerver, goed voor de Hugo Award van 1965, las ik toen ik heel jong was en nog open stond voor van alles. Ik kan me herinneren dat ik het wel een oké boek vond. Ik sta daar nu anders tegenover.

Ik heb tot nu toe vaak geklaagd dat de boekjes die Meulenhoff ons aanbood, te dun waren: onvolledig uitgewerkte voorstudies of oppervlakkige niemendalletjes. Deze keer moet ik het tegenovergestelde zeggen: deze roman uit 1964 is veel te lang geworden. Mede (maar niet alleen!) daardoor heeft hij de tand des tijds niet erg weten te doorstaan. De vertaling van David Marcuse is tamelijk onder de maat. Houterig, lelijk Nederlands, gelardeerd met vrijwel iedere denkbare stijlfout maakt het dikke boek er niet leesbaarder op.

Het boek is opgesteld als een rampenboek, dat wil zeggen: meerdere plotlijnen worden chronologisch en parallel uitgerold. Een groep vliegende schotel-enthousiasten, een astronaut op de maan, een stelletje hippies, een miljonair met zijn zwarte staf, etc. Elk van deze groepen ondergaat de rampen op hun eigen manier en soms komen verhaallijnen samen - soms ook niet.

Het begin gaat nog wel. Plotseling verschijnt er in de buurt van de maan een nieuwe planeet. Het blijkt een ruimteschip van een superintelligent ras te zijn ter grootte van de aarde. Dit schip begint de maan te consumeren, als brand- en grondstof naar later blijkt. Door de aanwezigheid van dit enorme hemellichaam worden de getijden op aarde verstoord en overstromingen, tsunami’s, aardbevingen en vulkaanuitbarstingen zijn het gevolg. De halve wereldbevolking gaat op de vlucht. We volgen met name de schotelaars die in konvooi voor hun leven moeten vechten en uiteindelijk een basis weten te bereiken. Ondertussen neukt iedereen met iedereen.

De aard van het supervolk blijft in het begin ondoorgrondelijk en dat is goed want abstract en dreigend. Zijn onverschilligheid ten aanzien van de aarde en haar bewoners wordt uitstekend gesuggereerd. Totdat we halverwege het eerste contact meemaken. Daarna wordt het een draak van een boek, helaas.

Fritz Leiber
Het superras blijkt te bestaan uit katachtigen, die met de mensen beginnen te discussiëren en het hele angstaanjagende effect van het eerste deel wordt teniet gedaan en wel met rente. Want de katachtigen blijken een soort psychologie te hebben die me nog het meest deed denken aan het kleinsteedse gekibbel van een tv-serie als  Peyton Place. Het zogenaamd superieure ras blijkt ruzieachtig, wrokkig, kleinzielig, banaal, foutief psychologiserend, gefrustreerd en een beetje sadistisch te zijn. Iedere geloofwaardigheid verdwijnt, uit de wezens en daardoor tegelijk uit het boek. De paar gevangen mensen moeten een heel spervuur van verdedigingen aanhoren, dat de wezens het allemaal niet zo erg bedoeld hadden, dat ze juist geprobeerd hadden om hier en daar wat groepen mensen of steden te redden, dat ze zo dadelijk weer zullen verdwijnen en dat de aarde dan weer verder kan. Dat een aarde zonder maan waarschijnlijk een soort tweede Venus zal worden, met onleefbare temperaturen en luchtdruk, heb ik nergens langs zien komen. Een ander wetenschappelijk puntje bleef gedurende de lezing ook aan me knagen: de Zwerver is weliswaar even groot als de aarde, maar het blijkt dat hij helemaal hol is, met vijftigduizend “schillen” of niveaus waar een hele menagerie aan intergalactische wezens woont. Een dergelijk lichaam kan, hoewel zeer massief, nooit even zwaar zijn als de aarde en kan dus nooit die dramatische veranderingen in de getijden veroorzaken.

Het eerste deel van de roman belooft veel, het tweede deel bederft alles. 

woensdag 23 augustus 2017

Philip Jose Farmer – Vreemde verwanten (MSF 30)

Enigszins gewaagd voor zijn tijd was Philip Jose Farmers verhalenbundel Strange relations uit 1966, waarin de mogelijkheden van intergalactische seksuele relaties uitgewerkt werden. Bij herlezing komt het me allemaal niet zo spannend meer voor, maar ik herinner me vaag dat ik het, toen ik het begin zeventiger jaren voor het eerst las, bepaald een controversieel boek vond.

Deze redelijk maar ietsjes houterig en niet helemaal foutloos (bijvoorbeeld: “wat het ook zei”) door Elisabeth/van Leent-Sieburgh vertaalde bundel bestaat uit vijf lange verhalen die telkens een “casus” presenteren.

Het eerste verhaal, getiteld Moeder, beschrijft hoe een seksueel enigszins gefrustreerde jongeman en zijn moeder, die hem volledig domineert, op de verre planeet Baudelaire door twee inheemse molluskachtige moederwezens in haar baarmoeders opgesloten worden. De moeder overleeft het niet, maar Eddie wordt uiteindelijk onderdeel van het voortplantingsproces van zijn gastmoeder.

Het tweede verhaal, Dochter is een soort à propos bij het eerste. Het speelt weer op de planeet Baudelaire, maar nu is het een kind van het moederwezen en Eddie, dat door haar vader onderwezen wordt in overleving, op een manier die tot dat moment op de planeet onbekend was. Na enige tijd begint de lezer te vermoeden dat we hier met een bewerking te maken hebben van het sprookje De wolf en de zeven geitjes, wat aan het eind dan ook in “otjespee atijnlee” (potjeslatijn) onthuld wordt. Dit verhaal komt tot nu toe het dichtst bij wat ik gezellige Amsterdam-Westessef noem en is mijn favoriet uit deze bundel.

Het derde verhaal Vader is de spil van het boek. Met zijn ruim honderd bladzijden is het eigenlijk een korte roman geworden. Erin wordt beschreven hoe een schip strandt op de verre planeet Abatos, een ware Hof van Eden, waar een buitenaards wezen aanvankelijk zeer overtuigend pretendeert God te zijn. Aan boord van het schip raken twee passagiers, Bisschop André en pastoor Carmody, in een verhit debat omtrent de ware aard van het wezen, totdat blijkt dat het wezen, zich noemende Vader, een leugenachtig en kwaadaardig schepsel is. Het kost de bisschop het leven, de padre, met meer levenswijsheid behept, komt als triomfator tevoorschijn. Kwesties als oerzonde, seks, het eeuwige leven etc. komen aan bod. Als theologische sciencefiction is dit geen slecht verhaal, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het, zoals wel vaker gebeurde bij verhalen uit deze periode, in zekere zin als prototype heeft gediend voor latere, veel beter uitgewerkte dito verhalen.

Philip Jose Farmer
Verreweg het zwakste verhaal is Zoon, waarin een man met een moedercomplex gevangen wordt door een volledig geautomatiseerde, van AI voorziene, vrouwelijke communistische onderzeeboot van de vijand. Hij is haar te slim af, doorziet haar leugens, ontsnapt  en is meteen van zijn moedercomplex af. Ongeveer rond diezelfde tijd schreef Larry Niven een kort verhaal over een intelligente raket met ogenschijnlijk psychosomatische klachten, getiteld Becalmed in Hell, dat zoveel beter was dat het eigenlijk geen vergelijking meer is. Het is duidelijk: Farmer was een der laatsten van de oude garde, Niven één der eersten van de nieuwe. In de zestiger jaren was er een machtsgreep bezig die zou af gaan rekenen met de klassieke sciencefiction.

Het laatste verhaal, Mijn zuster d’r broer toont dat eens te meer aan. Hier hebben we een verhaal over een aantal zeer ingewikkelde symbiotische levensvormen en voortplantingswijzen die voor de huidige lezer paradoxaal tegelijkertijd een beetje te simpel en nogal vergezocht is. Het is zeker een onderhoudend verhaal, met trouwens ook weer een forse dosis theologie erin verwerkt, maar vergeleken bij de veel subtielere symbioses die moderner schrijvers ons hebben voorgetoverd, voldoet het verhaal eigenlijk maar ternauwernood.

Eén ding aan dit boek is nog heel vreemd: ik heb een zeer levendige herinnering aan een bepaalde scène uit dit boek dat ik vijfenveertig jaar geleden gelezen heb. Ik kan me zo de setting en de sfeer voor de geest halen. Maar hoe levendig die herinnering ook moge zijn: de scène komt niet voor in het boek!

woensdag 16 augustus 2017

Ernest Hill – Jammer van de Aarde (MSF 29)

Volgens de redactie van M=SF zou dit boek een humoristische, kolderachtige en satirische roman moeten zijn à la Paul van Hercks Sam, of de Pluterdag en zelfs zou het hier en daar herinneren aan “de minder ernstige schrifturen” van Remco Campert.

Welneen.

Met de beste wil van de wereld kan ik geen spoor van verwantschap ontdekken met deze twee genoemde schrijvers. In van Hercks toekomst komt een almachtige reclamecultuur weliswaar ook aan bod, maar daarmee is dan ook iedere gelijkenis genoemd.
Jammer van de Aarde is wel degelijk brutaal, maar op een heel andere wijze dan Van Hercks opus. Het boek is op een lichtelijk non-conformistische manier zowel kwaadaardig als optimistisch, er zit er een hoop satire in het verhaal dat over de machtigen van het universum gaat, waaronder de krantenmagnaten, maar eerder zie ik een verwantschap met de Amerikaanse underground van de jaren zestig, en dan met name met het vele keiharde cartoongeweld van de legendarische tekenaar Robert Crumb en de Nederlandse cartoonist Bernard Willem Holtrop, bekend als Willem. Wat op zich dan toch best weer opmerkelijk is voor de debuutroman van een drieënvijftigjarige Brit uit de advertentiewereld!

Pity about Earth uit 1968, in de vertaling van F. Lancel al in 1970 aan de Meulenhoff-reeks toegevoegd, is een satirische avonturenroman die in niets gelijkt op de boeken die we tot nu toe in de reeks hebben aangetroffen.  

Shale is directeur advertenties van een in een oplage van 1000 miljard verschijnende krant. Hij wordt door een concurrent gevangen genomen en komt terecht in een laboratoriumcomplex met vele tienduizenden kooien waar de meest wrede experimenten worden uitgevoerd (die met smaak beschreven worden). Shale is zelf een exponent van deze wereld: in onze ogen volstrekt amoreel. Hij begrijpt dan ook helemaal niets van de gedachtewereld van Marilyn, een aap met empathisch mensenverstand die hij bevrijdt uit het laboratorium. Zij begrijpt evenmin veel van zijn hardheid.
Getweeën ontsnappen ze en vervolgens trekken ze naar de planeet Asgard, waar de machtige zakenmensen wonen. Shane en Marilyn nemen het krantenimperium over en terwijl Shale zijn tijd met lolletjes vult, hervormt Marilyn de krant zodanig dat de advertenties niet langer het nieuws bepalen. Een langdurig proces dat nog maar net begonnen is als we het boek dichtslaan.

Ik vond het best een aardig boekje, maar wel heel erg onsubtiel. De satire werd met grote gebaren en loeiende sirenes gepresenteerd. Ook hing er een grote neonreclame boven het geheel: “Pas op!! Dit is satire!!!” Het had ook best een beetje minder gekund.

Hoe Ernest Hill eruit zag weet ik niet. Ik ben er niet in geslaagd ook maar één enkele afbeelding van hem te vinden. Het blijkt ook enorm moeilijk om überhaupt extra informatie over dit boek te vinden op het net. Het bleef bij die ene druk, niemand heeft het nodig geacht een recensie of zelfs maar een samenvatting te schrijven. Dus hier hebben we echt wel te maken met een underground classic.

woensdag 9 augustus 2017

Theodore Sturgeon - Venus Plus X (MSF 28)


Venus Plus X van Theodore Sturgeon (geboren als Edward Hamilton Waldo) verscheen in 1960, en liep daarmee een paar jaar voor op de avant-garde van de vrouwenemancipatie en de seksuele revolutie.

Een doodgewone man wordt verplaatst van het Amerika van de zestiger jaren naar een tijd zeer ver in de toekomst, of althans, dat lijkt het te zijn. De mensachtigen van deze maatschappij, Ledom geheten (het omgekeerde van model) blijken hermafrodieten te zijn, die de man nodig hebben om vanuit het standpunt van een niet-ledomiet een oordeel te vellen over de maatschappij. Hij wordt langzamerhand bekend met de ogenschijnlijk ideale maatschappij van liefde die er heerst, tot hij ontdekt dat de ledomieten helemaal niet als hermafrodiet geboren worden, maar door een ingreep in het laboratorium zo gemaakt worden. Woedend wijst hij ze af, waarna de aap uit de mouw komt: hij bevindt zich helemaal niet in de toekomst maar in het heden, en hij is ook niet wie hij denkt te zijn: in werkelijkheid is hij een manlijk gebleven ledomiet die met de gedachten van een omgekomen homo sap. is gevoerd. Er wordt besloten dat hij in het geheime gebied van Ledom mag blijven, samen met een eveneens niet behandeld meisje.
In een parallelverhaal, geschreven in de tegenwoordige tijd, komen alle denkbare clichés aan bod: hoe jongens en meisjes al van jongs af aan in het keurslijf van hun biologische geslacht geperst worden: jongens met hun auto’s, meisjes met hun poppen; hoe films over liefde taboe zijn voor kinderen en geweldfilms prima gevonden worden, etc.

Theodore Sturgeon
Samen met Philip José Farmer, staat Sturgeon bekend als de meest seksueel expliciete van de klassieke sciencefictionschrijvers. De thematiek in het onderhavige boek is de dubbele seksuele en sociale moraal van, natuurlijk, met name de Verenigde Staten van na de oorlog. Veel van de problematiek in het boek is ook tegenwoordig nog actueel. De behandeling van homoseksuelen, het opgedrongen geslachtelijke gedragspatroon, de hypocriete seksuele en religieuze moraal. Het boek gaat zeer nadrukkelijk over het Amerika van 1960.

Als sciencefiction is het niet het meest opwindende boek uit de serie. Veel van de natuurkunde klinkt een beetje naïef en ouderwets, bijna vooroorlogs.

Het dunne boek is bedaard vertaald door Dolf Verroen en las in vier forens-ritjes uit.

zondag 6 augustus 2017

James H. Schmitz – De heksen van Karres (MSF 27)


De heksen van Karres begon zijn bestaan als een kort verhaal uit 1949. In de jaren 1965-66 breidde Schmitz dat verhaal aanzienlijk uit tot een kloeke roman, die verscheen in 1966. De Nederlandse vertaling verscheen in de Meulenhoffreeks in 1969. In het algemeen is het boek door Mark Carpentier Alting redelijk vertaald, al telde ik wel een paar opmerkelijke grammaticale missers (“opgevouwd”, “afgeschrokken”).

Het verhaal is niet al te ingewikkeld: kapitein Pausert redt drie heksenkinderen Maleen (14), Goth (9 of 10) en de Leewit (6) van een slavenbestaan door ze voor een zacht prijsje te kopen. Hij brengt ze naar hun thuisplaneet Karres, dat in een dodelijke strijd gewikkeld is tegen een planeetgroot robotisch oorlogsschip genaamd Wormwereld, een plot die meteen aan Star Wars doet denken. Uiteindelijk wordt door Pausert en vooral Goth de oorlog gewonnen, met hulp van een vatch, een transdimensionale plaaggeest die op het eind door de kapitein vakkundig geneutraliseerd wordt.

De heksen van Karres wordt beschouwd als space-opera en hoort tot de popcultuur van de jaren zestig. Schmitz’ schrijfstijl is licht en elegant en staat nooit het verhaal in de weg. De psychologieën van de personen worden volledig vormgegeven door hun handelingen. De kapitein is fatsoenlijk en pragmatisch, Goth is voorlijk en bedachtzaam, de Leewit ernstig en grillig. De cultuur waarin dit boek het makkelijkst is voor te stellen, is die van de tv-sciencefiction. In het jaar van verschijnen van de roman, 1966, werd ook de eerste aflevering van Star Trek uitgezonden en zeker het eerste deel van het boek doet sterk aan die serie denken. Het tweede deel is wat duisterder en broeieriger en herinnert mij meer aan twee andere legendarische televisieseries: Blake’s Seven, maar met name Doctor Who, zeker waar het de confrontatie betreft tussen onze helden en de megalomane en misdadige, losgeslagen robot van Wormwereld.

James H. Schmitz
Waar de hedendaagse, primair reagerende wereld buitengewoon gevoelig voor is, zijn de vermeende pedofiele trekjes van het verhaal. Tienjarige Goth spreekt de verwachting uit later met de kapitein te zullen gaan trouwen. Pausert gaat daar verder niet op in en er is dan ook geen enkele spanning in de lucht. Hij is achter in de twintig, zij tien. Het is niet aan de orde.
Een zekere Cheryl neemt daar op Goodreads geen genoegen mee. Ze heeft het boek verkeerd (of helemaal niet?) gelezen en schrijft verontwaardigd: “Pedophilia trigger. These are not witches disguised as children, but rather children who have developed certain talents. And there is much talk with the captain of approaching marriageable age, which is apparently 16, at least for girls.”
Het ligt natuurlijk allemaal veel genuanceerder, maar de overspannen tijdgeest van het heden heeft geen tijd voor nuances en kiest dus het liefst voor de kortste beschikbare bocht. Dit soort morele verontwaardiging, volledig gebaseerd op de eigen, beperkte en nogal onnozele wereldkijk staat me buitengewoon tegen.
Op Librarything analyseert een zekere Featherbear veel nuchterder: “Maybe today some might detect a hint of pedophilia – there seems to be an expectation that Goth will marry Captain Pausart when she “comes of age.” Schmitz is probably aware of this […]”. Hij vervolgt: “Middle sister Goth (prepubescent, about 9?) takes over for much of the book. This could potentially be […] problematic, but any implicit sexuality is deflected to the mature charms of the nefarious ship chandler Sunnat of Uldune and the gun totin’ Empire agent Hulik do Eldel”. En ook met deze twee vrouwen ontstaat er nooit iets dat maar in de verste verte op een seksuele chemie lijkt: het boek is nadrukkelijk aseksueel.

Onze ‘moderne” tijd heeft in haar oneindige wijsheid nog een “dingetje” met het boek. In 2005 heeft Eric Flint het voor een heruitgave geredigeerd, vooral om een heleboel referenties aan roken en tabak te verwijderen, die het verhaal kennelijk onaanvaardbaar maakten voor de “moderne” lezer. Wat een bekrompen figuur is die moderne lezer toch!