woensdag 13 december 2017

Harry Harrison – Bill, de held van de Melkweg (MSF 40)

Bill, de held van de Melkweg, de satirische sciencefictionroman van Harry Harrison uit 1965 vond ik bij herlezing tegenvallen. Nu ja, wat betekent de term “herlezing” in dit geval? Ik las het boek in Domaso, en dat betekent dat het 1972 of 1973 moet zijn geweest – ik gok op het laatste. Ik was een stuurse, anarchistische jongen met lang maar moeilijk haar. Ik was dwars en droeg de hele vakantie in Italië mijn legerdumpkleren, en las een totaal van vijftien boeken.

Het door de ervaren vertaler Frits Lancel nogal slordig vertaalde werk doet een beetje denken aan, maar is van mindere kwaliteit dan, Sam, of de Pluterdag van Paul van Herck (want dat was laconieker en geestiger) of De grote uittocht van Eric Frank Russel (want dat was speelser en geestiger).

Het verhaal is simpel: Bill, een eenvoudige boerenjongen, wordt gerekruteerd in het leger en beleeft vreemde, soms absurde avonturen. Hij weet in leven te blijven en wordt per ongeluk een held. Aan het eind blijkt hij volledig een deel van dat leger geworden te zijn. Het is een beetje Catch 22, maar dan in de intergalactische ruimte. De oorlog die de mensheid voert is tegen de Chingers, een buitenaards ras van zeven voet lange mensenetende reptielen met vier arrmen. Later komt Bill erachter dat de Chingers in werkelijkheid vredelievende, zeven-duim lange wezens zijn, die maar niet begrijpen waarom de mensheid ze zo graag wil uitroeien. Maar dat maakt allemaal niets uit: hij ontdekt dat de oorlog uitsluitend gevoerd wordt om het militair-industrieel complex in stand te houden en dat alles wat op de galactische nieuwskanalen over de vijand gerapporteerd wordt compleet fake-nieuws is.

Harry Harrison
Het is duidelijk: dit boek is typisch zestiger jaren politieke satire. De planeet waar Bill zijn laatste “heldendaad” verricht, een planeet vol moerassen waar alle planten en inboorlingen het ongewenste invasieleger te lijf gaan, doet wel heel erg aan Vietnam denken. De satire zit er zo dubbeldik bovenop, dat het me uiteindelijk meer deed denken aan een politieke strip, van Robert Crumb bijvoorbeeld, of onze eigen Willem, zoals die in bladen als Hitweek of Tante Leny Presenteert verschenen, dan aan een sciencefictionroman.

Een aardig boek, niet extreem leuk, maar wel aardig, dat erom schreeuwt om in zijn tijd geplaatst te worden. Ik noem niet graag iets gedateerd, maar deze roman wil niet anders als gedateerd zijn: in het midden van de zestiger jaren, in de opkomende subcultuur van de popart en underground, uitgesproken tegenstander van de waanzin van het militarisme.

woensdag 6 december 2017

Larry Niven – Neutronster (MSF 39)


Larry Niven is met grote voorsprong mijn favoriete sciencefictionschrijver. Ik heb alles van hem in de kast staan. Menig boek van hem, al dan niet in samenwerking met anderen geschreven, heb ik meerdere malen herlezen. Ik lees hem uitsluitend in het buitengewoon soepele, gemakkelijke Engels dat van hem één der beste stylisten maakt in het genre. Maar natuurlijk was mijn kennismaking met hem in het Nederlands, in 1971, met Neutronster. Ik las het vrij snel nadat het uitkwam en een levenslange liefdesrelatie was geboren. Voordat men denke dat dit een hagiografie gaat worden: vanzelfsprekend heeft hij in de vijfenvijftig jaar dat hij publiceert ook middelmatige en zelfs slechte boeken geschreven.

Politiek gezien is Larry Niven niet geheel zonder controverse. Hij wordt nogal eens beschuldigd van extreemrechtse standpunten. Persoonlijk vind ik die beschuldigingen hogelijk overdreven. Laten we vooropstellen dat Niven ongetwijfeld een republikein is en niet bepaald een progressieve republikein, maar het was zijn vriendschap met sciencefictionschrijver Jerry Pournelle, met wie hij een aantal boeken heeft geschreven, die hem min of meer in de controversiële hoek gemanoeuvreerd heeft. Pournelle was namelijk wel degelijk een extreemrechtse alt-right figuur, die Mussolini bewonderde, milieugroepen haatte en zijn aartsconservatieve en militaristische wereldbeeld nooit onder stoelen of banken stak. In Nivens werk daarentegen is het helemaal niet zo eenvoudig om welke politieke mening dan ook te ontdekken. Niven lijkt me hier een beetje het slachtoffer te zijn geweest van besmetting by proxy: alleen al door zich in te laten met Pournelle is hij verdacht. In zijn boeken lees ik het in ieder geval niet. Integendeel: iemand die zich zoals Niven zo gemakkelijk en empathisch in de psyche en de sociologie van vreemde wezens en maatschappijen kan verplaatsen, kan eenvoudigweg geen fundamentalistische conservatief zijn. Ik denk dat hij veeleer een klassieke libertariër is dan een conservatief.

Al vanaf het allereerste begin bouwt Niven aan een eigen, wat we noemen future history: een tijdlijn binnen welke zijn verhalen en romans zich afspelen. Al schrijvende voegt hij nieuwe elementen toe, waar in latere werken weer aan gerefereerd worden. Deze goed door Ivain Rodriguez de León vertaalde bundel verhalen speelt in zijn geheel in die future history, in een bol van globaal zestig lichtjaren diameter die bekend staat als The known space. Die bol wordt gedomineerd worden twee krachtige rassen, de mens en de kzin, maar er zwerven allerlei andere wezens rond, zoals onder meer de kdatlyno, de buitenstaanders en vooral de poppenspelers. Elk van deze volkeren heeft een uitgebalanceerde psychologie meegekregen die in de loop van decennia alleen nog maar verfijnder zou worden.

Larry Niven
Omdat Niven al schrijvende bouwde aan zijn universum, kon het gebeuren dat hij zich nog wel eens moest corrigeren in een later verhaal. Dat merken we meteen in het eerste verhaal van deze bundel, Neutronster. De albino Beowulf Shaeffer wordt er door de poppenspelers, fabrikanten van de ondoordringbare General Products romp voor ruimtevaartuigen op uitgestuurd om te onderzoeken welke dodelijke kracht door die schijnbaar ondoordringbare romp heen kon komen en de passagiers kon doden. Uiteindelijk komt hij er achter en ontfutselt hij en passant een miljoen sterren van de poppenspelers die de precieze locatie van hun thuisplaneet zozeer geheim willen houden (het zijn intelligente lafaards) dat zelfs de suggestie dat hun wereld geen maan heeft hun veel afkoopgeld waard is. In een veel later verschenen verhaal zou blijken dat de poppenspelers niet alleen wel degelijk op de hoogte waren met getijden en satellieten, maar dat ze zelfs grootmeesters waren op het gebied van het manipuleren van planeten en manen. Nivens verklaring van de afkoopsom in retrospectief is dat ze daarmee juist de suggestie hadden willen wekken dat hun thuisplaneet geen maan had. Zo werkt Niven: hij blijft bouwen en ombuigen en gaatjes opvullen, totdat zijn future history homogeen en chronologisch in orde is.

In Een relikwie van het imperium wordt een bioloog op een verre planeet lastig gevallen door een stelletje ruimtepiraten. Dat zij de curieuze flora van de planeet niet kennen wordt hun fataal. Exploderende bomen, anderhalf miljard jaar geleden ontwikkeld door een verloren gegaan superras, de tnuctipun, maken een einde aan de piraten.

Omdat Beowulf Shaeffer (zogenaamd dus) het geheim van de poppenspelers kent, namelijk dat hun planeet geen maan zou hebben, wordt hij gedwongen om opnieuw een levensgevaarlijke expeditie uit te voeren, dit keer Naar het hart van de Melkweg. Hij ontdekt dat die kern van de Melkweg aan het exploderen is en dat over twintigduizend jaar een golf van straling de gehele bekende ruimte zal gaan steriliseren. Bij thuiskomst blijken alle poppenspelers meteen vertrokken te zijn, naar de Andromeda-Galaxy misschien, wie weet? Poppenspelers zijn lafaards, dat is waar, maar ze zijn wel volstrekte realisten. Dus nemen ze de benen bij de eerste aanwijzing van gevaar. Over twintigduizend jaar zullen de mensen en de kzin een massale, chaotische aftocht moeten organiseren, terwijl de poppenspelers dan alweer een heel stuk verder in de richting van de veiligheid zijn. Is dat, zo vraagt Niven zich af, niet ook een vorm van moed?
Dit verhaal is ondertussen wetenschappelijk volledig achterhaald. De kernen van melkwegstelsels bestaan niet uit sterren die zo dicht bij elkaar staan dat een supernova een kettingreactie kan veroorzaken, maar uit superzware zwarte gaten. Als je, zoals Niven, zo dicht mogelijk bij de nieuwste ontwikkelingen op natuurwetenschappelijk gebied probeert te blijven, kan zoiets je overkomen. Schouders ophalen en verder gaan.

Sciencefiction met een archeologische insteek is altijd een favoriet bij mij geweest. Dus is Het zachte wapen ideaal geschikt voor mij. De poppenspeler Nessus en zijn twee menselijke reisgenoten worden onderschept door een groep kzin-piraten die het op hun stasiskist voorzien hebben. De tnuctipun en de slavenhalers hebben tijdens hun totale vernietigingsoorlog van 1500 miljoen jaar geleden her en der tijdloze kisten achtergelaten met technologie, informatie en wat niet al. Nessus heeft er een gevonden en de kzin pikken hem in. Het blijkt een stasiskist van een tnuctip-spion te zijn en uiteindelijk stuiten de piraten onvermijdelijk op de zelfvernietigingsknop van het zachte wapen. De mensen overleven het omdat ze sluw zijn. Nessus overleeft ook. En dat is maar goed ook, want hij moet in de beroemde latere romancyclus rond Ringworld een hoofdrol gaan spelen. En nog weer later in zijn prequel Fleet of worlds.

In Vlaklander komen we Beowulf Shaeffer weer tegen. Deze keer ontmoet hij de rijkste man van het universum, die zijn zinnen erop gezet heeft, de vreemdste planeet van de bekende ruimte te bezoeken. Hij koopt de informatie van de merkwaardige buitenstaanders, een ras dat bij de temperatuur van vloeibaar helium leeft en handelt in informatie. Voor een extra bedrag willen ze ook vertellen waarom die planeet de vreemdste is van de bekende ruimte. De rijkaard gaat daar niet op in, met bijna fatale gevolgen. Ondertussen komen we weer een manier te weten om de schijnbaar zo onverwoestbare General Products romp te slopen.

Verreweg het zwakste verhaal is De regelen der waanzin, over een man die een misdaad begaat en daarom tot het einde van het universum achtervolgd wordt. Het verhaal voegt weinig of niets toe aan het Niven-universum en is lang, langzaam en saai.

Veel korter is De misdeelden, een laconiek verhaal over het ondenkbare: namelijk dat de anderhalf miljard jaar oude slavenhalers, gemuteerd en al, nog steeds blijken te bestaan, nu als sedentair levende, telepathische dieren.

Llobee, ten slotte, is weer een verhaal met Beowulf Shaeffer, die een ontvoerde kdatlyno beeldhouwer bevrijdt. Een typisch Niven verhaal met veel spitsvondigheden, goed uitgewerkte karakters en een onweerstaanbaar mooie vrouw van driehonderd jaar oud.

In deze verhalen komen we geen makkelijke oplossingen tegen, geen Ballard-achtige fopspenen. Hier zijn goedgeschreven gestructureerde harde sciencefictionverhalen, waarvan de plots en de psychologie kloppen en waarin een sense of wonder heerst die mij al vijftig jaar betovert. De diep doordachte clous sprankelen en tintelen, en worden vaak afgesloten met een kleine laatste twist waar wij als lezers al helemaal niet aan gedacht hadden. Niven geeft ons daarbij niet het gevoel dat we in de maling genomen zijn, maar dat hij en ik, op ons niveau, op voet van gelijkheid deze slimheid hebben uitgedacht. Dat is sympathiek, dat bindt.

maandag 27 november 2017

Leonard Daventry – Een man die dubbel deed (MSF 38)

De Brit Leonard Daventry (1915-1987) blijft een beetje vaag: ik heb op het internet geen portret van hem weten te vinden. Hij was een man van vele beroepen, literair gezien een autodidact. Zijn eerste werk verscheen in de oorlog en pas in 1965 verscheen met Een man die dubbel deed zijn eerste roman, de eerste in een reeks over de telepaat Claus Coman die in een post-apocalyptische wereld de strijd aanbindt met krankzinnigen en moordenaars, maar het is deze eerste, in veler ogen een nogal vlakke roman waarmee hij zich een plaats in de sciencefictiongeschiedenis heeft weten te verwerven.

Deze roman is door Warner Flamen een beetje raar vertaald. Het lijkt erop dat hij nogal eens stukjes typisch Brits idioom vrij letterlijk naar het Nederlands heeft overgezet. Van de drie keer dat in het Engels het woord pathetic voorkwam, zou hij het mijns inziens in minstens twee gevallen beter met belachelijk hebben kunnen vertalen dan met pathetisch. Zo waren er meer van dat soort kleine momentjes bij de lezer.

Nadat de geoloog en mineraloloog Claus Coman ontdekt heeft dat hij over telepathische gaven beschikt, is hij toegetreden tot een groep sleutelmensen die werken voor de wereldregering. Het is 2090. De wereld is nog steeds aan het bijkomen van De Ramp van 1990. Er dreigt nu een nieuwe ramp. Jongeren gaan amok en doden dagelijks duizenden mensen, een dreiging die helaas niet verder uitgewerkt wordt, doch slechts een gegeven blijft. De wereldregering wil een buitenaardse straf/overlevingskolonie instellen speciaal voor die jongeren. Eén belangrijke man is nog niet overtuigd en Coman moet hem zien te spreken te krijgen om hem te overtuigen. Dat gaat gepaard met gevaren van tegen-telepaten en moordenaars, maar uiteindelijk slaagt hij natuurlijk.

In de verte deed de roman me een beetje denken aan de Nul-A romans van Alfred Van Vogt, alleen een stuk beter geschreven. Ik begrijp de lauwe waardering ervoor dan ook niet helemaal. Bij boekensites als Goodreads krijgt het vaak maar 2 van 5 sterren. Het is, toegegeven, niet een blockbuster van een avonturenroman geworden, maar het is meer dan gemiddeld intelligent en de psychologie van de telepaat wordt goed uitgewerkt. Veel van de slechte kritieken komen voort uit twee belangrijke punten die tegen het boek pleiten. Ten eerste blijken de ware sciencefictionelementen in het boek inderdaad nogal naïef (het is bijvoorbeeld relatief eenvoudig om op Venus of Mars in leven te blijven, Mercurius wordt uitgebreid geëxploiteerd en sinds kort zijn er zelfs interstellaire wezens op komen dagen, met name van de ster Fomalhaut, wezens die vreemd genoeg verder slechts een voetnoot in het verhaal vormen). Ten tweede is ook in deze roman de vrouwenemancipatie weer niet verschrikkelijk doorgedrongen. Coman heeft (slechts!) twee vrouwen, Jonl, een half-telepatische geheimzinnige jong middelbare vrouw en de veel jongere Sein, die aan het eind van het verhaal reeds zwanger blijkt te zijn. En passant ontwapent Coman met zijn seksuele raffinement ook nog eens een telepatische agente van de vijand.

Het is een roman die eigenlijk alleen in de zestiger jaren van de vorige eeuw geschreven kon worden, tegelijk traditioneel en vooruitstrevend, tegelijk vervuld van geweld en van bijna metafysische liefde. Als zodanig heeft het boek beslist zijn zwakten. Toch vond ik het een aangename leeservaring.

maandag 20 november 2017

J. G. Ballard – Doodlopend strand (MSF 37)

Het vierde boek van Ballard in de Meulenhoffreeks is een verhalenbundel geworden: Doodlopend strand, helaas weer onhandig vertaald door Mieke Groot, die onder haar vaste Ballard-pseudoniem Mieke Meuldrager-Ezelin blijkbaar een claim op deze Britse schrijver heeft gelegd. Voor deze vertaling is de (ingekorte) Amerikaanse uitgave gebruikt.

Hoewel alle verhalen in deze bundel oorspronkelijk in de toonaangevende sciencefictiontijdschriften verschenen zijn, zitten er tussen die met de beste wil van de wereld niet tot het genre gerekend kunnen worden. Weinig toekomst, ruimtewezens of machines te bekennen. Wel veel, heel veel menselijk tekort, zoals we bij Ballard gewend zijn.

Verhaal 1, Eindspel, is een Kafka-achtig geheel dat blijkbaar in een soort heden speelt. Konstantin is ter dood veroordeeld en zit in een wachthuis met zijn beul, Malik. Namen die een land als Tsjechoslowakije suggereren. De twee spelen schaak en Konstantin probeert Malik ervan te overtuigen dat hij onschuldig is. Tegen het einde, nadat Konstantin voor het eerst een partijtje schaak van zijn beul heeft weten te winnen, wordt hij naar buiten geleid. “Wie overtuigd is van zijn eigen onschuld, is schuldig” is de ietwat cryptische slotopmerking van de beul.
Het vertoonde schaak is niet geweldig en Ballard merkt ergens op dat het een wonder was hoe Malik in een zo simpele opening als het Spaans binnen tien zetten zo’n overwegende stelling kan opbouwen. Welnu: het Spaans is zo ongeveer de moeilijkste opening in het hele spel. Vreemd dat.

Het tweede verhaal Onder de bewustzijnsdrempel speelt tenminste in iets dat doet denken aan toekomst. Het is een scherpe satire over de consumptiemaatschappij, maar voelt een beetje routinematig aan. De conclusie komt niet echt als een verrassing. Dat had Paul Van Herck met zijn Sam, of de Pluterdag (MSF 14) beter aangepakt!

Het derde verhaal heet De laatste wereld van de heer Goddard, en dan weet je eigenlijk al wel wat er gaat komen. Dat klopt ook: meneer Goddard is inderdaad God.

De tomben des tijds is een niemendalletje geworden over toekomstige grafrovers op de maan. Misschien heb ik het met te weinig aandacht gelezen, maar mij ontging de clou.

In Nu ontwaakt de zee treffen we een man die, als enige, ’s nachts de opkomende zee ziet verschijnen in de stad, duizend mijl in het binnenland. Het blijkt een zee van honderdduizenden jaren geleden te zijn. Zijn botten worden in een mijnschacht aangetroffen en als Cro Magnon geïdentificeerd. Ook dit verhaal is een beetje een niemendalletje: een soort tijdreis/horrorverhaaltje waarin helemaal niets verklaard wordt, alleen maar gesuggereerd.
(Ik trof nog een vreemde vertaalmisser aan in dit verhaal: het Engelse pre-raphaelite komt er in het “Nederlands” van Mieke Groot uit als voor-raphaelitisch. Ik had deze kunststroming nog nooit zo horen noemen en dat klopte: prerafaelitisch moet het zijn.)

J.G. Ballard
De Venusjagers lijkt het centrale verhaal van de bundel te zijn: het is met veertig pagina’s het langst. Ook dit is weer zo’n typisch Ballard-verhaal waardoor ik zo’n hekel aan hem begin te krijgen. Het gaat weer geheel volgens zijn bekende stramien: er wordt een interessant decor geschetst, waarin veel gesuggereerd wordt. Dan gebeuren er een paar dingen. Daarna gebeuren die dingen niet meer. Uit.
In dit geval ontmoet een natuurkundige een man die een ruimteschip heeft zien landen. Hij begint te geloven dat de man niet liegt. Dan ziet hij zelf ook een ruimteschip landen. Dan gaat hij weg. Dat is alles. Niets wordt uitgewerkt en de nachtkaars flikkert ook deze keer weer nauwelijks merkbaar na.

Het wordt eentonig: in Eén doorhalen worden we weer met een raadsel opgezadeld dat vervolgens niet bevredigend wordt opgelost.

In aanleg het interessantste verhaal, Opeens in de middag, wordt ook weer op dezelfde manier om zeep geholpen. Verwachting scheppen, verbanden en invloeden suggereren, om vervolgens via een clou-wending die niets verklaart een versneld einde aan het verhaal te fabriceren.

Zou het met het laatste en titelverhaal Doodlopend strand  beter gaan? Wat denkt u zelf? Ik ben er moedeloos van geworden.

Veel van deze verhalen wekken de indruk dat Ballard eigenlijk een beetje gemakzuchtig is, dat hij vindt dat de verhalen zoals ze zijn wel voldoende zijn voor zijn lezerspubliek. En misschien was dat vijftig jaar geleden ook wel zo. Nu bevredigt die instelling niet meer en blijven er alleen maar luie pretenties over.

zondag 12 november 2017

Thomas M. Disch - Kamp Concentratie (MSF 36)

Na de vrolijke en niet al te diepgravende avonturenverhalen van deeltjes 34 en 35, tapt de redactie van de Meulenhoff SF-reeks met Kamp Concentratie van de erkende somberaar Thomas Disch uit een heel ander vaatje. Hier hebben we een loodzwaar, somber, surrealistisch en uitermate literair werk - je vraagt je af of dit eigenlijk nog wel sciencefiction mag heten. Het is meer verwant aan het surrealistische werk van bijvoorbeeld Stefan Themerson, of, vooruit, aan Het Evangelie van O. Dapper Dapper van W. F. Hermans.

Bij dit nadrukkelijk talige boek betreur ik het dat ik het niet in het Engels heb gelezen. Ik vermoed dat er heel wat mooie taalspelletjes verloren zijn gegaan in de ietwat onbeholpen vertaling die doet vermoeden dat de oorspronkelijke Engelse tekst voor vertaler Fred Schmidt een klein beetje te moeilijk was. Het is dan ook wat hem betreft bij dit ene boek gebleven. Het Engels van het origineel is een stuk helderder en eleganter dan zijn Nederlands, dat loopt te ploegen als door vette klei. Wel verkrijgt de tekst daardoor een soort gravitas, maar dat is niet helemaal zoals het oorspronkelijk bedoeld lijkt.

Het verhaal: dichter en gewetensbezwaarde Louis Sacchetti wordt overgeplaatst naar een plaats die Kamp Archimedes genoemd wordt. Daar worden de gevangenen geïnjecteerd met een aan syfilis verwante bacterie die de besmette proefpersonen in korte tijd zeer veel intelligenter maakt. Nadeel is wel dat de dodelijke syfilisverschijnselen versneld plaats vinden en de proefpersonen binnen negen maanden sterven.

Het boek wordt gepresenteerd als Sachetti’s dagboek en het doet aanvankelijk denken aan Flowers for Algernon, ook een dagboek van een ik-persoon wiens proces van nieuwverworven intelligentie nauwgezet gevolgd wordt. Rond het midden ontaardt het werk echter in een explosie van associaties, allusies en citaten – het wordt een waar stuk undergroundliteratuur. Tegen het eind volgt de berusting maar daarna juist opeens een jubelende extase, omdat medegevangene Mordechai Washington met zijn alchemistische kunsten erin geslaagd was om de briljante geesten van de zieke gevangenen in de schedels van hun bewakers te implanteren.

Thomas M. Disch
Het is een zeer intellectueel boek: literatuur, filosofie, alchemie, beeldende kunst, theater, muziek, maar ook de geschiedenis van het nationaalsocialisme komen erudiet en enigszins elitair aan bod. Het is een name-dropping van jewelste. Marlowe’s Faust, maar ook die van Thomas Mann komen ter sprake, Mordechai Washington wordt vergeleken met Mefistofeles. In een absurdistische droom komt Thomas van Aquino langs. We lezen de poëzie van Sacchetti, lichtjes geënt op die van de Beat poets.

Uiteindelijk blijkt de gehele wereldbevolking besmet te zijn met de ziekte en net als bij De uitroeiers een eerder in de reeks van Meulenhoff verschenen roman van Disch, staat de mensheid er aan het eind slecht voor. Reddeloos eigenlijk. Hoe de vreugde van de getransplanteerde gevangenen daarin in te passen valt, wordt niet verder uitgewerkt.

dinsdag 31 oktober 2017

Robert A. Heinlein – Het pad van roem (MSF 35)

Robert Anson Heinlein was een controversiële schrijver. Hij was uitbundig rechts en libertarisch in een fundamenteel linkse subcultuur: die van de hippies en de sciencefiction. Veel van zijn boeken waren het middelpunt van debat en dat was dan ook de reden, zo verklaarde de redactie van de Meulenhoffreeks, dat het zo lang geduurd had voordat er, na Meulenhoff deeltje 1, een volgend werk van hem in het fonds opgenomen werd.

Met Het pad van roem uit 1964 kon men evenwel zich geen buil vallen: het is een vrolijke avonturen-fantasy geworden, geschreven in een laconieke hard-boiled stijl waar Mickey Spillane nooit ver weg is. Terloops worden nog wel een paar politiek incorrecte meningen gespuid, maar de schrijver heeft zich bepaald ingehouden, zoveel is wel duidelijk. Het boek is redelijk vertaald door Frits Lancel: niet goed, niet slecht.

Terwijl E. C. "Scar" Gordon , zojuist ontslagen uit een oorlog in Zuidoost-Azië, in de zon van het naturisteneiland Île de Levant aan de Franse Riviera lekker ontspannen zijn verdere toekomst ligt te plannen, wordt hij als held ingehuurd door een beeldschone vrouw genaamd Ster, die met haar kale valet Rufo op een queeste is.

Er dreigen draken en gevaren, mathematische wezens en zwaardvechters in een hallucinerende wereld. Met als ultieme prijs: rijkdom en glorie! Alles draait om een voorwerp dat van een verre plaats teruggehaald moet worden: het Ei van de Phoenix. Later blijkt dat ei een immens archief te zijn dat Ster nodig heeft om haar functie als Keizerin van 20 Universa uit te kunnen oefenen. Er wordt gevochten met een onmogelijke wiskundige entiteit, met minotaurussen, draken en ten slotte met een onmenselijk sterke zwaardvechter die het ei bewaakt.

Robert A. Heinlein
Het is qua opbouw een beetje vreemd boek geworden. Net als het laatste deel van Lord of the Rings bevat het na de climax, ongeveer op tweederde, een zeer uitgebreide coda, waarin verteld wordt hoe onze held vervolgens niet om weet te gaan met zijn nieuwe status als keizerlijke gigolo en uiteindelijk samen met Rufo uit verveling een heldenbureau begint. Deze coda wordt door Heinlein voornamelijk gebruikt om toch nog een hele hoop sociale en psychologische ideeën te spuien. Het bloed kruipt. We accepteren veel van hem, omdat hij wel een heel goede schrijver was. Zonder twijfel zijn er mensen die zich wild zullen ergeren aan het blatante en ogenschijnlijk oppervlakkige seksisme in het boek, maar ik vermoed dat zelfs toen hij dit boek schreef Heinlein zijn tong al ferm in zijn wang gedrukt had. Alles aan dit boek is uiteindelijk een parodie, niets is serieus, alles ironie: hij neemt zijn tijd en land in de maling.

Het enige onderwerp waar hij misschien serieus over is, lijkt me de problematiek van de menselijke relatie te zijn. Ster is niet wie ze is, Rufo ook niet, en Omar (zoals Gordon herdoopt is) kan niet anders als reageren volgens zijn, goedburgerlijke, door-en-door Amerikaanse moraal. Dat levert hilarische momenten op die bij nader inzien toch wel iets onthullen over Heinleins vrijgevochten kijk op de maatschappij.

Een van de toptitels in het fonds tot nu toe.

donderdag 26 oktober 2017

R. A. Lafferty – De avonturen van Kapitein Roodstorm (MSF 34)

Raphael Aloysius Lafferty (7 november 1914, Neola, Iowa) kwam uit een streng rooms katholieke familie. Hij was niet gelukkig met het feit dat zijn voornamen gebaseerd waren op twee heiligen. Hij bleef zijn hele leven ongetrouwd en woonde bij zijn zuster in huis. Hij had geen rijbewijs. Reizen deed hij alleen in zijn enorme bibliotheek. Pas op latere leeftijd begon deze elektrotechnische ingenieur verhalen te schrijven. In 1984 dwong Alzheimer hem te stoppen met schrijven. Hij stierf pas in 2002. Neil Gaiman schreef in de Washington Post in een in memoriam: He was a genius, an oddball, a madman. His stories (his short stories were, in the main, more powerful than his novels) are without precedent: If he can be compared to anyone it might be to a more whimsical Flann O'Brien, but comparisons are pointless en verder: Lafferty never fit as an sf writer, as a fabulist or as a horror writer, although his work was sold as such and he won the Hugo Award and the World Fantasy Award. He was a genre in himself.

Deze schrijver moest het hebben van humor, satire en een wilde, laterale fantasie. De avonturen van Kapitein Roodstorm doet bij vlagen denken aan een bizar mengsel van François Rabelais, Marten Toonder, Paul van Herck en Douglas Adams. Het boek blijkt al snel een oneerbiedige, burleske herschrijving van de Odyssee te zijn. De delen van dit klassieke meesterwerk die in kolderieke bewerkingen in het boek voorkomen zijn achtereenvolgens:

1. De Lotuseters
2. De Laistrygonen  
3. Een combinatie van Helios, en Scylla en Charybdis
4. De Sirenen
5. Polyphemos
6. Circe
7. Hades
8. Penelope en de vrijers

R. A. Lafferty
Vaak is het ergerlijk als sciencefiction een zekere innerlijke logica ontbeert. Soms, als in onderhavig geval, is het laconiek negeren van die logica doel op zich. Lafferty vindt  het niet zo belangrijk dat alles klopt. In een van de verhalen bijvoorbeeld wordt een bemanningslid opgegeten. Doodleuk is hij bij een volgend verhaal weer aanwezig met een mededeling in de trant van: Hij was veel te slim om zich op te laten eten. Hoe hij het geflikt heeft om te ontsnappen is een heel verhaal, waar we nu geen tijd voor hebben. Zoiets kan voor de die hard nogal ergerlijk zijn, maar ik houd er wel van, zolang er ook geen pretentie van innerlijke logica is. Dan wordt het absurdistisch en geraak je dichter in de buurt van volstrekt krankzinnige schrijvers als de fransman Alfred Jarry.

De hier en daar wat slordige vertaling van Walter P. Relsky (en dat is weer de befaamde Mieke Groot!) heeft wel zijn geestige momenten. De namen van de bemanningsleden zijn in de vertaling grappiger dan in het origineel. Crabgrass wordt Vogelpootgras, Fairfeather wordt Vraaiveêr en Captain Puckett wordt vertaald naar Kapitein Kabouter.

Leuk boek. Aanrader.