maandag 27 november 2017

Leonard Daventry – Een man die dubbel deed (MSF 38)

De Brit Leonard Daventry (1915-1987) blijft een beetje vaag: ik heb op het internet geen portret van hem weten te vinden. Hij was een man van vele beroepen, literair gezien een autodidact. Zijn eerste werk verscheen in de oorlog en pas in 1965 verscheen met Een man die dubbel deed zijn eerste roman, de eerste in een reeks over de telepaat Claus Coman die in een post-apocalyptische wereld de strijd aanbindt met krankzinnigen en moordenaars, maar het is deze eerste, in veler ogen een nogal vlakke roman waarmee hij zich een plaats in de sciencefictiongeschiedenis heeft weten te verwerven.

Deze roman is door Warner Flamen een beetje raar vertaald. Het lijkt erop dat hij nogal eens stukjes typisch Brits idioom vrij letterlijk naar het Nederlands heeft overgezet. Van de drie keer dat in het Engels het woord pathetic voorkwam, zou hij het mijns inziens in minstens twee gevallen beter met belachelijk hebben kunnen vertalen dan met pathetisch. Zo waren er meer van dat soort kleine momentjes bij de lezer.

Nadat de geoloog en mineraloloog Claus Coman ontdekt heeft dat hij over telepathische gaven beschikt, is hij toegetreden tot een groep sleutelmensen die werken voor de wereldregering. Het is 2090. De wereld is nog steeds aan het bijkomen van De Ramp van 1990. Er dreigt nu een nieuwe ramp. Jongeren gaan amok en doden dagelijks duizenden mensen, een dreiging die helaas niet verder uitgewerkt wordt, doch slechts een gegeven blijft. De wereldregering wil een buitenaardse straf/overlevingskolonie instellen speciaal voor die jongeren. Eén belangrijke man is nog niet overtuigd en Coman moet hem zien te spreken te krijgen om hem te overtuigen. Dat gaat gepaard met gevaren van tegen-telepaten en moordenaars, maar uiteindelijk slaagt hij natuurlijk.

In de verte deed de roman me een beetje denken aan de Nul-A romans van Alfred Van Vogt, alleen een stuk beter geschreven. Ik begrijp de lauwe waardering ervoor dan ook niet helemaal. Bij boekensites als Goodreads krijgt het vaak maar 2 van 5 sterren. Het is, toegegeven, niet een blockbuster van een avonturenroman geworden, maar het is meer dan gemiddeld intelligent en de psychologie van de telepaat wordt goed uitgewerkt. Veel van de slechte kritieken komen voort uit twee belangrijke punten die tegen het boek pleiten. Ten eerste blijken de ware sciencefictionelementen in het boek inderdaad nogal naïef (het is bijvoorbeeld relatief eenvoudig om op Venus of Mars in leven te blijven, Mercurius wordt uitgebreid geëxploiteerd en sinds kort zijn er zelfs interstellaire wezens op komen dagen, met name van de ster Fomalhaut, wezens die vreemd genoeg verder slechts een voetnoot in het verhaal vormen). Ten tweede is ook in deze roman de vrouwenemancipatie weer niet verschrikkelijk doorgedrongen. Coman heeft (slechts!) twee vrouwen, Jonl, een half-telepatische geheimzinnige jong middelbare vrouw en de veel jongere Sein, die aan het eind van het verhaal reeds zwanger blijkt te zijn. En passant ontwapent Coman met zijn seksuele raffinement ook nog eens een telepatische agente van de vijand.

Het is een roman die eigenlijk alleen in de zestiger jaren van de vorige eeuw geschreven kon worden, tegelijk traditioneel en vooruitstrevend, tegelijk vervuld van geweld en van bijna metafysische liefde. Als zodanig heeft het boek beslist zijn zwakten. Toch vond ik het een aangename leeservaring.

maandag 20 november 2017

J. G. Ballard – Doodlopend strand (MSF 37)

Het vierde boek van Ballard in de Meulenhoffreeks is een verhalenbundel geworden: Doodlopend strand, helaas weer onhandig vertaald door Mieke Groot, die onder haar vaste Ballard-pseudoniem Mieke Meuldrager-Ezelin blijkbaar een claim op deze Britse schrijver heeft gelegd. Voor deze vertaling is de (ingekorte) Amerikaanse uitgave gebruikt.

Hoewel alle verhalen in deze bundel oorspronkelijk in de toonaangevende sciencefictiontijdschriften verschenen zijn, zitten er tussen die met de beste wil van de wereld niet tot het genre gerekend kunnen worden. Weinig toekomst, ruimtewezens of machines te bekennen. Wel veel, heel veel menselijk tekort, zoals we bij Ballard gewend zijn.

Verhaal 1, Eindspel, is een Kafka-achtig geheel dat blijkbaar in een soort heden speelt. Konstantin is ter dood veroordeeld en zit in een wachthuis met zijn beul, Malik. Namen die een land als Tsjechoslowakije suggereren. De twee spelen schaak en Konstantin probeert Malik ervan te overtuigen dat hij onschuldig is. Tegen het einde, nadat Konstantin voor het eerst een partijtje schaak van zijn beul heeft weten te winnen, wordt hij naar buiten geleid. “Wie overtuigd is van zijn eigen onschuld, is schuldig” is de ietwat cryptische slotopmerking van de beul.
Het vertoonde schaak is niet geweldig en Ballard merkt ergens op dat het een wonder was hoe Malik in een zo simpele opening als het Spaans binnen tien zetten zo’n overwegende stelling kan opbouwen. Welnu: het Spaans is zo ongeveer de moeilijkste opening in het hele spel. Vreemd dat.

Het tweede verhaal Onder de bewustzijnsdrempel speelt tenminste in iets dat doet denken aan toekomst. Het is een scherpe satire over de consumptiemaatschappij, maar voelt een beetje routinematig aan. De conclusie komt niet echt als een verrassing. Dat had Paul Van Herck met zijn Sam, of de Pluterdag (MSF 14) beter aangepakt!

Het derde verhaal heet De laatste wereld van de heer Goddard, en dan weet je eigenlijk al wel wat er gaat komen. Dat klopt ook: meneer Goddard is inderdaad God.

De tomben des tijds is een niemendalletje geworden over toekomstige grafrovers op de maan. Misschien heb ik het met te weinig aandacht gelezen, maar mij ontging de clou.

In Nu ontwaakt de zee treffen we een man die, als enige, ’s nachts de opkomende zee ziet verschijnen in de stad, duizend mijl in het binnenland. Het blijkt een zee van honderdduizenden jaren geleden te zijn. Zijn botten worden in een mijnschacht aangetroffen en als Cro Magnon geïdentificeerd. Ook dit verhaal is een beetje een niemendalletje: een soort tijdreis/horrorverhaaltje waarin helemaal niets verklaard wordt, alleen maar gesuggereerd.
(Ik trof nog een vreemde vertaalmisser aan in dit verhaal: het Engelse pre-raphaelite komt er in het “Nederlands” van Mieke Groot uit als voor-raphaelitisch. Ik had deze kunststroming nog nooit zo horen noemen en dat klopte: prerafaelitisch moet het zijn.)

J.G. Ballard
De Venusjagers lijkt het centrale verhaal van de bundel te zijn: het is met veertig pagina’s het langst. Ook dit is weer zo’n typisch Ballard-verhaal waardoor ik zo’n hekel aan hem begin te krijgen. Het gaat weer geheel volgens zijn bekende stramien: er wordt een interessant decor geschetst, waarin veel gesuggereerd wordt. Dan gebeuren er een paar dingen. Daarna gebeuren die dingen niet meer. Uit.
In dit geval ontmoet een natuurkundige een man die een ruimteschip heeft zien landen. Hij begint te geloven dat de man niet liegt. Dan ziet hij zelf ook een ruimteschip landen. Dan gaat hij weg. Dat is alles. Niets wordt uitgewerkt en de nachtkaars flikkert ook deze keer weer nauwelijks merkbaar na.

Het wordt eentonig: in Eén doorhalen worden we weer met een raadsel opgezadeld dat vervolgens niet bevredigend wordt opgelost.

In aanleg het interessantste verhaal, Opeens in de middag, wordt ook weer op dezelfde manier om zeep geholpen. Verwachting scheppen, verbanden en invloeden suggereren, om vervolgens via een clou-wending die niets verklaart een versneld einde aan het verhaal te fabriceren.

Zou het met het laatste en titelverhaal Doodlopend strand  beter gaan? Wat denkt u zelf? Ik ben er moedeloos van geworden.

Veel van deze verhalen wekken de indruk dat Ballard eigenlijk een beetje gemakzuchtig is, dat hij vindt dat de verhalen zoals ze zijn wel voldoende zijn voor zijn lezerspubliek. En misschien was dat vijftig jaar geleden ook wel zo. Nu bevredigt die instelling niet meer en blijven er alleen maar luie pretenties over.

zondag 12 november 2017

Thomas M. Disch - Kamp Concentratie (MSF 36)

Na de vrolijke en niet al te diepgravende avonturenverhalen van deeltjes 34 en 35, tapt de redactie van de Meulenhoff SF-reeks met Kamp Concentratie van de erkende somberaar Thomas Disch uit een heel ander vaatje. Hier hebben we een loodzwaar, somber, surrealistisch en uitermate literair werk - je vraagt je af of dit eigenlijk nog wel sciencefiction mag heten. Het is meer verwant aan het surrealistische werk van bijvoorbeeld Stefan Themerson, of, vooruit, aan Het Evangelie van O. Dapper Dapper van W. F. Hermans.

Bij dit nadrukkelijk talige boek betreur ik het dat ik het niet in het Engels heb gelezen. Ik vermoed dat er heel wat mooie taalspelletjes verloren zijn gegaan in de ietwat onbeholpen vertaling die doet vermoeden dat de oorspronkelijke Engelse tekst voor vertaler Fred Schmidt een klein beetje te moeilijk was. Het is dan ook wat hem betreft bij dit ene boek gebleven. Het Engels van het origineel is een stuk helderder en eleganter dan zijn Nederlands, dat loopt te ploegen als door vette klei. Wel verkrijgt de tekst daardoor een soort gravitas, maar dat is niet helemaal zoals het oorspronkelijk bedoeld lijkt.

Het verhaal: dichter en gewetensbezwaarde Louis Sacchetti wordt overgeplaatst naar een plaats die Kamp Archimedes genoemd wordt. Daar worden de gevangenen geïnjecteerd met een aan syfilis verwante bacterie die de besmette proefpersonen in korte tijd zeer veel intelligenter maakt. Nadeel is wel dat de dodelijke syfilisverschijnselen versneld plaats vinden en de proefpersonen binnen negen maanden sterven.

Het boek wordt gepresenteerd als Sachetti’s dagboek en het doet aanvankelijk denken aan Flowers for Algernon, ook een dagboek van een ik-persoon wiens proces van nieuwverworven intelligentie nauwgezet gevolgd wordt. Rond het midden ontaardt het werk echter in een explosie van associaties, allusies en citaten – het wordt een waar stuk undergroundliteratuur. Tegen het eind volgt de berusting maar daarna juist opeens een jubelende extase, omdat medegevangene Mordechai Washington met zijn alchemistische kunsten erin geslaagd was om de briljante geesten van de zieke gevangenen in de schedels van hun bewakers te implanteren.

Thomas M. Disch
Het is een zeer intellectueel boek: literatuur, filosofie, alchemie, beeldende kunst, theater, muziek, maar ook de geschiedenis van het nationaalsocialisme komen erudiet en enigszins elitair aan bod. Het is een name-dropping van jewelste. Marlowe’s Faust, maar ook die van Thomas Mann komen ter sprake, Mordechai Washington wordt vergeleken met Mefistofeles. In een absurdistische droom komt Thomas van Aquino langs. We lezen de poëzie van Sacchetti, lichtjes geënt op die van de Beat poets.

Uiteindelijk blijkt de gehele wereldbevolking besmet te zijn met de ziekte en net als bij De uitroeiers een eerder in de reeks van Meulenhoff verschenen roman van Disch, staat de mensheid er aan het eind slecht voor. Reddeloos eigenlijk. Hoe de vreugde van de getransplanteerde gevangenen daarin in te passen valt, wordt niet verder uitgewerkt.

dinsdag 31 oktober 2017

Robert A. Heinlein – Het pad van roem (MSF 35)

Robert Anson Heinlein was een controversiële schrijver. Hij was uitbundig rechts en libertarisch in een fundamenteel linkse subcultuur: die van de hippies en de sciencefiction. Veel van zijn boeken waren het middelpunt van debat en dat was dan ook de reden, zo verklaarde de redactie van de Meulenhoffreeks, dat het zo lang geduurd had voordat er, na Meulenhoff deeltje 1, een volgend werk van hem in het fonds opgenomen werd.

Met Het pad van roem uit 1964 kon men evenwel zich geen buil vallen: het is een vrolijke avonturen-fantasy geworden, geschreven in een laconieke hard-boiled stijl waar Mickey Spillane nooit ver weg is. Terloops worden nog wel een paar politiek incorrecte meningen gespuid, maar de schrijver heeft zich bepaald ingehouden, zoveel is wel duidelijk. Het boek is redelijk vertaald door Frits Lancel: niet goed, niet slecht.

Terwijl E. C. "Scar" Gordon , zojuist ontslagen uit een oorlog in Zuidoost-Azië, in de zon van het naturisteneiland Île de Levant aan de Franse Riviera lekker ontspannen zijn verdere toekomst ligt te plannen, wordt hij als held ingehuurd door een beeldschone vrouw genaamd Ster, die met haar kale valet Rufo op een queeste is.

Er dreigen draken en gevaren, mathematische wezens en zwaardvechters in een hallucinerende wereld. Met als ultieme prijs: rijkdom en glorie! Alles draait om een voorwerp dat van een verre plaats teruggehaald moet worden: het Ei van de Phoenix. Later blijkt dat ei een immens archief te zijn dat Ster nodig heeft om haar functie als Keizerin van 20 Universa uit te kunnen oefenen. Er wordt gevochten met een onmogelijke wiskundige entiteit, met minotaurussen, draken en ten slotte met een onmenselijk sterke zwaardvechter die het ei bewaakt.

Robert A. Heinlein
Het is qua opbouw een beetje vreemd boek geworden. Net als het laatste deel van Lord of the Rings bevat het na de climax, ongeveer op tweederde, een zeer uitgebreide coda, waarin verteld wordt hoe onze held vervolgens niet om weet te gaan met zijn nieuwe status als keizerlijke gigolo en uiteindelijk samen met Rufo uit verveling een heldenbureau begint. Deze coda wordt door Heinlein voornamelijk gebruikt om toch nog een hele hoop sociale en psychologische ideeën te spuien. Het bloed kruipt. We accepteren veel van hem, omdat hij wel een heel goede schrijver was. Zonder twijfel zijn er mensen die zich wild zullen ergeren aan het blatante en ogenschijnlijk oppervlakkige seksisme in het boek, maar ik vermoed dat zelfs toen hij dit boek schreef Heinlein zijn tong al ferm in zijn wang gedrukt had. Alles aan dit boek is uiteindelijk een parodie, niets is serieus, alles ironie: hij neemt zijn tijd en land in de maling.

Het enige onderwerp waar hij misschien serieus over is, lijkt me de problematiek van de menselijke relatie te zijn. Ster is niet wie ze is, Rufo ook niet, en Omar (zoals Gordon herdoopt is) kan niet anders als reageren volgens zijn, goedburgerlijke, door-en-door Amerikaanse moraal. Dat levert hilarische momenten op die bij nader inzien toch wel iets onthullen over Heinleins vrijgevochten kijk op de maatschappij.

Een van de toptitels in het fonds tot nu toe.

donderdag 26 oktober 2017

R. A. Lafferty – De avonturen van Kapitein Roodstorm (MSF 34)

Raphael Aloysius Lafferty (7 november 1914, Neola, Iowa) kwam uit een streng rooms katholieke familie. Hij was niet gelukkig met het feit dat zijn voornamen gebaseerd waren op twee heiligen. Hij bleef zijn hele leven ongetrouwd en woonde bij zijn zuster in huis. Hij had geen rijbewijs. Reizen deed hij alleen in zijn enorme bibliotheek. Pas op latere leeftijd begon deze elektrotechnische ingenieur verhalen te schrijven. In 1984 dwong Alzheimer hem te stoppen met schrijven. Hij stierf pas in 2002. Neil Gaiman schreef in de Washington Post in een in memoriam: He was a genius, an oddball, a madman. His stories (his short stories were, in the main, more powerful than his novels) are without precedent: If he can be compared to anyone it might be to a more whimsical Flann O'Brien, but comparisons are pointless en verder: Lafferty never fit as an sf writer, as a fabulist or as a horror writer, although his work was sold as such and he won the Hugo Award and the World Fantasy Award. He was a genre in himself.

Deze schrijver moest het hebben van humor, satire en een wilde, laterale fantasie. De avonturen van Kapitein Roodstorm doet bij vlagen denken aan een bizar mengsel van François Rabelais, Marten Toonder, Paul van Herck en Douglas Adams. Het boek blijkt al snel een oneerbiedige, burleske herschrijving van de Odyssee te zijn. De delen van dit klassieke meesterwerk die in kolderieke bewerkingen in het boek voorkomen zijn achtereenvolgens:

1. De Lotuseters
2. De Laistrygonen  
3. Een combinatie van Helios, en Scylla en Charybdis
4. De Sirenen
5. Polyphemos
6. Circe
7. Hades
8. Penelope en de vrijers

R. A. Lafferty
Vaak is het ergerlijk als sciencefiction een zekere innerlijke logica ontbeert. Soms, als in onderhavig geval, is het laconiek negeren van die logica doel op zich. Lafferty vindt  het niet zo belangrijk dat alles klopt. In een van de verhalen bijvoorbeeld wordt een bemanningslid opgegeten. Doodleuk is hij bij een volgend verhaal weer aanwezig met een mededeling in de trant van: Hij was veel te slim om zich op te laten eten. Hoe hij het geflikt heeft om te ontsnappen is een heel verhaal, waar we nu geen tijd voor hebben. Zoiets kan voor de die hard nogal ergerlijk zijn, maar ik houd er wel van, zolang er ook geen pretentie van innerlijke logica is. Dan wordt het absurdistisch en geraak je dichter in de buurt van volstrekt krankzinnige schrijvers als de fransman Alfred Jarry.

De hier en daar wat slordige vertaling van Walter P. Relsky (en dat is weer de befaamde Mieke Groot!) heeft wel zijn geestige momenten. De namen van de bemanningsleden zijn in de vertaling grappiger dan in het origineel. Crabgrass wordt Vogelpootgras, Fairfeather wordt Vraaiveêr en Captain Puckett wordt vertaald naar Kapitein Kabouter.

Leuk boek. Aanrader.

zondag 22 oktober 2017

Cordwainer Smith - Heren en knechten (MSF 33)


De Oost-Aziëdeskundige en psycholoog Paul Myron Anthony Linebarger (1913-1966) wilde zijn wetenschappelijke werk en zijn sciencefiction strikt van elkaar gescheiden houden. Daarom koos hij een pseudoniem. Soms kun je iemands karakter aardig reconstrueren vanuit zo’n pseudoniem: in dit geval bestaat hij uit twee klassieke, geschoolde handvaardige beroepen. Een cordwainer (in het Oud-Nederlands: cordewanier) is een schoenmaker die werkt met cordovan leer. In Nederland hebben we de zeldzame achternaam Corduwener. Een smith is vanzelfsprekend een smid. Hier is iemand die staat voor tradities, eerlijk handwerk, afwezigheid van pretenties.

De sciencefiction die hij schreef was allesbehalve traditioneel. Hij schept een volstrekt unieke toekomstgeschiedenis die nogal haaks staat op het rechtlijnige denken van de meeste sciencefictionschrijvers.  Dit redelijk door Max Schreuder vertaalde boek (één keer een “de-mensen-die-is”-fout) bestaat uit vijf verhalen, sommige behoorlijk lang. Het doet daardoor denken aan het boek Vreemde Verwanten van Philip Jose Farmer. De thematiek is echter geheel anders.

Het eerste verhaal, Moeder Hitties Kleine Kitties (1961), gaat over een beroepsdief die de rijkdom van een planeet probeert te stelen maar daarbij op een zeer bizarre manier om het leven komt: elektrisch versterkte telepathische gedachten van speciaal daartoe gekweekte krankzinnige nertsjes. Wilde fantasie, ik houd daar in principe wel van.

Het tweede verhaal blijkt de ruggengraat van het hele boek te zijn. De dode dame in de Onderstad (1964) telt 110 pagina’s. Het beschrijft als een quasi wetenschappelijke historische studie de revolutie van de ondermensen van een aantal eeuwen terug. Dieren, voorzien van menselijke trekken, worden door twee roosterfouten in de maatschappij, de heks Elaine en het hondenmeisje D’joan, samen met een reeds lang overleden wijze vrouw wier persoon in een computer is opgeslagen, opgewekt tot een revolutie om hun rechten als mens te verwerven. De revolutionaire actie zelve mislukt, in zoverre dat bijna iedereen ter dood wordt gebracht, maar slaagt omdat er nadien inderdaad een kentering zou komen in de verhouding tussen heren en knechten. Ik vond het een lastig verhaal omdat ik ten eerste niet zo van de fantasy-achtige sfeer ervan hield, maar bovendien was deze fantasie ook nog eens messianistisch en new-age.

Veertig bladzijden duurt het derde verhaal De dronken boot (1963), ook weer een verhaal dat zogenaamd naderhand verteld is, en waarin gerefereerd wordt aan voetnoten van historici en dergelijke. Dit verhaal vertelt hoe Rambo, daartoe gedwongen door een Heer, leert om op eigen gelegenheid, zonder ruimteschip dus, door de intergalactische ruimte te reizen en iedere plaats in het universum in een fractie van een seconde te bereiken. Het verhaal had niet veel kop of staart, maar ik neem aan dat het essentieel was om de toekomstgeschiedenis van Cordwainer Smith verder op te bouwen.

Cordwainer Smith
De ballade van C'Mell (1961) kun je opvatten als een soort samenvattende voortzetting van het lange tweede verhaal. Deze keer is het niet het hondmeisje D’joan, maar de katgeisha C’mell wier menselijkheid wordt getest door een rechtbank. Maar één van de Heren is op haar hand en hij weet haar waardevolle gegevens te verschaffen die bijdragen aan de uiteindelijke emancipatie van de ondermensen. Al deze verhalen gaan uiteindelijk over de relatie tussen (bio-)wetenschap en ethiek.

Het boek eindigt met Een planet genaamd Shayol (1961), een tamelijk gruwelijk verhaal over een planeet waar de zwaarste misdadigers naartoe gestuurd worden om de rest van hun leven in pijn te slijten. Maar de straf is heel dubbelzinnig. Op de planet woont een levensvorm, de dromozoa, die met de allerbest denkbare bedoelingen levend materiaal voozien van extra organen, ledematen of andere verbouwingen, waar de mensheid als geheel alleen maar profijt van kan hebben, maar welk proces wel een voortdurende, danteske marteling oplevert voor de veroordeelden. Uiteindelijk wordt de strafplaneet opgeheven, wanneer blijkt dat de machthebber ook onschuldige kinderen naar deze strafkolonie heeft gestuurd.

De toekomstgeschiedenis in dit boek is geen plezierige en Cordwainer Smith’s schrijfstijl is zeer ongebruikelijk en vreemd. Ik moet bekennen dat het met een zekere zucht van opluchting was dat ik dit boek afsloot.

zondag 8 oktober 2017

Jack Vance – De moordmachine (MS 32)

Jack Vance’s pentalogie De Duivelsprinsen beschrijft een serie afrekeningen met vijf kwaadaardige misdadigers. Wat de vijf met elkaar gemeen hebben is het feit dat ze lang geleden de familie van de hoofdpersoon, Kirth Gersen hebben gedood of als slaven hebben afgevoerd en zijn huis verwoest hebben. In klassieke Samurai-filmstijl zoekt hij ze een voor een op en doodt ze. Na in het eerste deel afgerekend te hebben met Attel Malagate, bijgenaamd de Plaag, is nu Kokor Hekkus, oftewel de Moordmachine aan de beurt. Net als de andere vier leeft ook deze Duivelsprins in vermomming, soms ver weg, dan weer in de directe nabijheid van Gersen. Was Billy Windle de bandiet? Seuman Otwal?

Via een reeks van slimmigheden weet Gersen er uiteindelijk achter te komen onder welke vermomming Kokor Hekkus opereert, waarna hij hem kan confronteren en elimineren. Tegen het einde wordt duidelijk dat hij iemand is met wie we eerder al kennis gemaakt hadden, namelijk een zekere Sion Trumble. En daarin steekt meteen een plotwending die gewoon niet deugt en die daarom bij mij ongemeen veel jeuk veroorzaakt. Want al het handelen van Kokor Hekkus in dit boek draait uiteindelijk om het vinden van genoeg fondsen (tien miljard) om de schone dame Alusz Iphigeneia Eperje-Tokay vrij te kopen en in bezit te nemen. Gersen is hem daarbij echter te slim af en gaat er met haar vandoor. Maar ondertussen was Alusz Iphigeneia al zo goed als verloofd met genoemde Sion Trumble, een prins van het mythische Thamber, haar geboorteplaneet. Pas helemaal aan het eind van het boek blijken Sion Trumble en Kokor Hekkus één en dezelfde persoon te zijn geweest. Waarom dus al die moeite gedaan om haar te krijgen, als hij haar in feite al had? Hoe ik het ook schuif, ik kan dit niet kloppend krijgen. Dit is een ware fopspeen.

Jack Vance
Ondertussen hebben we verder gelukkig wel weer heel veel vintage Vance. De planeet Thamber doet wel wat denken aan Tschai, en Vance’s barokke pen vult de bladzijden weer met een veelheid aan kleuren, vormen, geuren, gewoonten, altijd in laatmiddeleeuwse tinten geschilderd. De acties worden altijd ondergeschikt gemaakt aan de interacties en Vance is een begenadigd beschrijver van sociale gewoontes en conventies, liefst van de enigszins wetteloze zelfkant van de kosmos. Kirth Gersen lijkt qua karakter wel een beetje op Adam Reith, de held van Vance’s Tschai tetralogie. Beiden zijn het rauwe mannen met een goede inborst, voorzien van een trots die op het arrogante af is. Beiden gaan ze met een behoedzame maar zelfverzekerde autoriteit om met hun gelijken en ondergeschikten, waardoor ze heel veel voor elkaar krijgen. Aan de andere kant begrijpen ze allebei niet of nauwelijks iets van vrouwen en kinderen.

Wat me telkens weer verbaast bij de Meulenhoff-reeks is de eigenaardige voorkeur van alle vertalers voor die bloedarmoedige, plechtige, ambtelijke polygoonwoordjes zoals “uiterst” (vertaler Warner Flamen gebruikt het 6x in dit boekje), “uitermate” (5x) en “hoogst”. Was dat eind zestiger, begin zeventiger jaren in de mode? Verder liep de vertaling wel redelijk, hoewel we toch nog een paar fraaie stijlbloempjes konden plukken.

We gaan nu in de reeks eerst de laatste twee deeltjes van Tschai afwerken en verwachten pas in deel 60 het derde boek van de Duivelsprinsen.